Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kalven - (een kalf werpen; afbrokkelen)

Etymologische (standaard)werken

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† kalven ww., sedert het Mnl. Mhd. Mnd. Ags.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kalven ‘afbrokkelen, instorten’ -> Engels calve ‘afbrokkelen, instorten’; Duits dialect kalven, kalveren ‘afbrokkelen van een oeverrand’; Deens kalve ‘afbrokkelen, instorten (vaak van Groenlandse ijsbergen)’; Noors kalve ‘afbrokkelen, instorten (meestal van een dam)’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1059. Een kalf leggen (- maken),

d.w.z. braken; de weerstroom krijgen, zooals men in de 18de eeuw zeide, over de (of zijn) tong kakken (Waasch Idiot. 319; Antw. Idiot. 1251; Schuermans, 734; fri. oer de tonge kakke; hd. über die Zunge spucken (oder kacken; Wander V, 644Reeds in de 16de eeuw in Dryderley Refereynen ghepronuncieert opte Rhetorijckfeest der blaauwe Acoleyen van Rotterdam, anno 1561, 44 r: Ghy slockers die dick over u tongh cackt int ghelach.; in tooneeltaal in den zin van zich verspreken of wartaal zeggen (Onze Volkstaal III, 254). Deze uitdrukking wordt in sommige streken van ons land nog gebruikt, doch was in de 16de en 17de eeuw naast kalven en een kalf(je) maken, een kalfken werpen zonder hoornen, zeer gewoon; zie Kiliaen: kalven, braecken, vomere, reddere vomitum; Winschooten, 99; Harrebomée I, 375; Bouman, 50; Frequ. II, 209; Boekenoogen, 391; 1322: kalf, een guts bloed; Molema, 189 a; Gallée, 64 b: 'n kelfken anbinden; Van Dale i.v. en op kalveren (Halma, 253) en uitkalven; Schuermans, 216; Teirl. II, 104: kalven, overgeven; bl. 102; kalf, braaksel; een kalfke leggen, braken; Waasch Idiot. 319 b; 322 a; Ndl. Wdb. VII, 933; 1032; Eckart, 243: en kalw anbinden of mâken; Kluge, Stud. Sprache, 97 b: ein Kalb anbinden (oder machen) naast kälbern oder einen Fuchs schieszen oder streifen, verouderd (Borchardt, 932; Schrader, 212) of sich bekälbern naast sich behâmelnBeiträge, XXXVIII, 336.. Vgl. ook het fri.: biggelje en bigje en het gron. biggen maoken, biggen werpen, maar ook braken; en het bij Kiliaen en Schuermans, 213 vermelde kabbelen, dat jongen werpen en braken, overgeven beteekentTijdschr. XVI, 60: een vosken kabbelen sonder vel.. De Engelschen noemen het to calve, to cat of to shoot, jerk, whip the cat of to flay the fox; de Franschen écorcher ou piquer le renard, mettre le coeur sur le carreau; rendre son lard; enz.; in Zuid-Nederland spreekt men ook van een mutten (vgl. fr. mouton; eng. mutton) leggen, vastleggenNav. 1897, bl. 64; 1899, bl. 133. of een kiebeken leggen (Kempen) of lammeren (zie Loquela, 290).

De beeldspraak kalven voor braken wordt genoegzaam opgehelderd door de volgende plaats uit de Klucht van de Saus (anno 1679), bl. 5:

't Minste dat ick dronck een pont was of een half,
Soo dat ick zwangerde en baerde voort een kalf,
Hetgeen ick na de Marckt vergeten heb te stuuren.

Vgl. ook Huygens V, 65: Wacht ou wat; dees volle koeij (dronken Trijn) moet kalve; Harreb. I, 375 a: Als men braakt, zei de boer, dan drijft men een kalf zonder voeten naar de wei; Schrader, 390: Die häszlichen Laute eines schwer Erbrechenden haben eine Aehnlichkeit mit dem häszlichen Geblöke eines Kalbes.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut