Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kalief - (islamitische titel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kalief zn. ‘islamitische titel’
Mnl. eerst Caliphus ‘kalief van Bagdad’, in ende in Baldach, die rike stat, es Caliphus stoel gesat ‘en in Bagdad, die machtige stad, zetelt de kalief’ [1315-35; MNW-R], daarna caliphes ‘islamitische titel’ in een caliphes dede alle die boomkins uutroden ‘een kalief liet alle boompjes rooien’ [1462; MNW uteroden]; vnnl. caliphe [1566-68; WNT].
Ontleend, in de mnl. vorm via het middeleeuws Latijn en in de huidige vorm wrsch. via Frans calife [califfe begin 13e eeuw; Rey], aan Arabisch ḵalīfa ‘stadhouder, opvolger (van Mohammed)’, behorend bij het werkwoord ḵalafa ‘opvolgen’. Hiermee verwant zijn o.a. Syrisch ḥălaf ‘vervangen, veranderen’ en Hebreeuws ḥālaf ‘veranderen, sterven’.
Het woord moet in de middeleeuwen bekend zijn geworden ten tijde van de kruistochten (11e-13e eeuw). Kalief was de belangrijkste titel in de islamitische wereld, die oorspr. werd gegeven aan de eerste vier opvolgers van de profeet Mohammed na zijn dood in 632. Latere kaliefen hadden formeel weliswaar een religieuze functie, maar waren in de praktijk veel wereldser en hun benoeming hing af van de heersende politieke verhoudingen tussen de verschillende Arabische staten. De laatste algemeen erkende kalief was Abdülmecit II, afkomstig uit de Ottomaanse dynastie en afgetreden in 1924. Sindsdien bestaat het woord alleen nog in historische context.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kalief [titel] {caliphes 1462} < frans caliphe < arabisch khalīfa [stadhouder, opvolger (van Mohammed)], bij het ww. khalafa [hij volgde op, verving].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kalief znw. m. ‘titel van de opvolgers van Mohammed als wereldlijk bestuurder’, evenals nhd. kalif, ne. caliph, nfra. calife, ital. califfo < arab. ḫalīfa eigenlijk ‘opvolger, plaatsvervanger’ (Lokotsch Nr. 798).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kalief: “Moh. owerheidspers.” (WAT); Ndl. (sedert 16e eeu) kalief, Hd. kalif, Eng. caliph, Fr. calife, Port. en Sp. califa, It. califfo, uit Arab. chalīfa/halīfa, “opvolger, plaasvervanger” (van Mohammed).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kalief (Arabisch kalīfa of Frans calife)

R. Dozy (1867), Oosterlingen, verklarende lijst der Nederlandschen woorden die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Perzisch en Turksch afkomstig zijn, 's-Gravenhage

Kalief
Het Arab. chalîfa, eigenlijk plaatsvervanger, namelijk van den Profeet.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kalief titel van de opvolgers van Mohammed 1462 [HWS] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut