Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kaliber - (maat voor een vuurwapen; soort, aard)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kaliber zn. ‘maat voor een vuurwapen; soort, aard’
Vnnl. caliber ‘bepaald soort handvuurwapen’ in de Schutten [dragen] een goet Caliber, geboort op twintigh Kogels in 't pont ‘de schutters dragen een goed Caliber, geboord voor kogels van 1/20 pond’ [1599; WNT], ‘gewicht, omvang’ zoals in het geschutt ... te laeten overweegen ende daer beneffens te nooteeren de calieber ‘het geschut nog eens te laten wegen en daarnaast het kaliber te noteren’ [1663; WNT overwegen II], ‘soort, formaat’ in druyven van verscheyde calibre ‘kartetsen van verschillend formaat’ [1667; WNT druif]; pas nnl. ‘doorsnee van een vuurmond, kogeldiameter’ [1702; WNT].
Ontleend in de verschillende betekenissen aan Frans calibre ‘doorsnee van een vuurmond’ [1478; Rey], ‘gewicht, omvang’ [1548; Rey], ‘soort, aard’ [1611; Rey]. Het Franse woord is ontleend aan Arabisch qālib ‘gietvorm voor metalen’ en ‘schoenmakersleest’. Het is niet precies duidelijk hoe de ontlening en ontwikkeling van vorm en betekenis is verlopen; er kan invloed zijn geweest van Italiaans calibro in de oudste betekenis ‘ring of plaat metaal met een gat, waarmee bij geschut een passende kogel gevonden kan worden’ [15e eeuw; Kluge21], uit middeleeuws Latijn calibrum ‘id.’, wrsch. een vervorming van middeleeuws Latijn calibrum ‘halsring van gevangen, halsijzer van lastdieren’, verwant met Grieks khalybs ‘boei’; ook het Spaans heeft calibre [1594; Rey] en ouder calibo (FvW). Het Arabische woord is zelf via het Aramees ontleend aan Grieks kālópous ‘schoenmakersleest’, letterlijk ‘houten voet’, gevormd uit kãlon ‘(brand)hout’, afleiding van kaíein ‘branden, verbranden’, zie → kalm, en poús (genitief podós) ‘voet’, verwant met → voet.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kaliber [vorm, gehalte] {1702} < frans calibre < italiaans calibro [idem] < arabisch qālib [vorm, gietvorm, schoenleest] < grieks kalopous, beter kalapous [leest], van kalon [hout] + pous [voet].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kaliber znw. o., na Kiliaen < fra. calibre (sedert 14de eeuw) ‘middellijn van de geschutmonding; gewicht van de kogel’ < ital. calibro ‘instrument om het passende gewicht van de kogel te bepalen’. Dit is een bijzondere aanwending in de ballistiek van het mlat. calibrum ‘halsijzer van gevangenen, haam van trekdieren’ < arab. ḳālib ‘vorm, model’. Over het aram. is dit woord weer overgenomen uit gr. kālopódion ‘schoenmakersleest’ (eig. ‘houten voetje’).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kaliber znw. o., nog niet bij Kil. Ontl. uit fr. calibre “kaliber, middellijn van de geschutmonding, gewicht van den kogel”, dat sedert de 15. eeuw voorkomt, ook in andere talen overging en zelf is ontleend uit oud-it. calibro “instrument of methode om bij geschut van een zekere doorsnede den passenden kogel te vinden”. Dit deed men vaak met een plaat metaal met een gat er in; vandaar dat it. calibro, mlat. calibrum als een vervorming (wellicht naar zinverwante woorden) van mlat. calibum “halsijzer” (< gr.-lat. chalybs “boei”) kan worden beschouwd. Aan ontl. uit arab. qâlib “ schoenmakersleest” mag wegens ’t accent van spa. calíbre, vroeger ook calíbo, niet gedacht worden; ook niet uit lat. aequilibrium “evenwicht”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kaliber o., uit Fr. calibre + Sp. id.. It. calibro: oorspr. onbek.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kaliber (Frans calibre)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Kaliber noemt men de doorsnede van den “loop” der kanonnen of geweren; bij de eerste wordt het kaliber meest in c.M. aangegeven, bij geweren in m.M. Ook de doorsnede der kogels wordt kaliber genoemd.
Overdrachtelijk heeft kaliber de beteekenis van: gewicht, zwaarte, afmeting, bijv. steenen van zwaar kaliber; menschen van ’t zelfde kaliber, d. i. van ’t zelfde slag. (‘t Arabische kalib beteekent: vorm, model.)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kaliber ‘middellijn van de loop van een vuurwapen’ -> Indonesisch kaliber ‘middellijn van de loop van een vuurwapen’; Menadonees kaliber ‘middellijn van de loop van een vuurwapen’; Minangkabaus kaliber ‘middellijn van de loop van een vuurwapen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kaliber middellijn van de loop van een vuurwapen 1697 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut