Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kade - (wal, dam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kade zn. ‘oeverwal’
Onl. misschien al in de plaatsnaam Cadesand ‘Cadzand (Zeeland)’ [1111-15; Künzel]; mnl. in de eigennaam van cadewerve [1248-71; VMNW], dan kade ‘oeverwal’ in dese voorgen. waterganck, kade ende opstal [1360; MNW opstal], zonder -d- kaey [1413; MNW regel], kae [1457; MNW].
Ontleend aan een Keltisch woord voor ‘haag, afscheiding, omheining’: Proto-Keltisch *kajo- < *kagjo-, waaruit zijn ontstaan: Welsh cae, Oudiers cai, Oudbretons caie en Gallisch caio. Verwant met → haag. De d als vervanging van de j tussen klinkers is een van de oudste voorbeelden van hypercorrectie van veronderstelde d-syncope, zoals in de 16e en 17e eeuw bijv. ook vloeden hypercorrect voor vloeien.
Traditioneel wordt het Frans als tussenstap beschouwd, op grond van een middeleeuws-Latijnse vindplaats van de afleiding caiagium ‘belasting om aan een kade te mogen aanmeren’ [1167; Du Cange] en Oudfrans kay ‘oeverwal aan een rivier’ [1311; Rey], kai ‘los- en laadkade in een haven’ [1360-1400; Dauzat] (Nieuwfrans quai). Schrijver (1999) veronderstelt voor het Nederlands echter rechtstreekse ontlening aan het Keltisch; het Franse woord, in de oudste vindplaatsen alleen nog Noord-Frans (Picardisch, Waals), zou dan juist aan het Oudnederlands ontleend zijn, zoals zovele oude West-Germaanse ontleningen in het Frans. De dateringen spreken dit niet tegen, zelfs al zou Cadesand niets met kade te maken hebben: van het genoemde Latijnse woord is immers niet uit te maken of het teruggaat op een Frans, een Germaans, of rechtstreeks op een Keltisch woord, en de Franse en de zekere Nederlandse dateringen (1311 resp. 1360) ontlopen elkaar te weinig om conclusies uit te trekken. Een ander argument van Schrijver is gebaseerd op de betekenisovergang van ‘afscheiding’ naar ‘oeverwal’, die in het Keltisch nog niet voorkomt en wrsch. verbonden moet worden met kustgerichte activiteiten, waarvoor het Oudnederlands meer in aanmerking komt dan het Noord-Frans.
Engels quay < Middelengels key(e) [14e eeuw; OED], Duits Kai [17e eeuw; Pfeifer] en equivalenten in de Scandinavische talen zijn ontleend via het Frans resp. het Nederlands.
Lit.: P. Schrijver (1999), ‘The Celtic contribution to the development of the North Sea Germanic vowel system, with special reference to Coastal Dutch’, in: NOWELE 35, 3-47, hier par. 9; L. Toorians (2002), ‘Keltisch *kagjo- “kaai, kade”, Cadzand, Seneucaega en Zennewijnen’, in: ABäG 56, 17-22

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kaai1 [wal] {ca(e), caeye 1457} < frans quai; dit is de oorspr. vorm van kade, dat een hypercorrecte d heeft.

kade [wal] {cade 1336} naast middelnederlands ca(e), caeye (vgl. kaai1), met latere invoeging van een hypercorrecte d < frans quai, uit het kelt., vgl. welsh cae [hek, heg], cornisch ke [heg], gallisch caio [omheining].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kade 1 znw. v. ‘wal’, ook kaai en ka, mnl. ca, caey, caye, keye, bij Kiliaen ook reeds kade, dat als hypercorrecte vorm is te beschouwen. — quai (sedert de 12de eeuw), in normand.-pikard. vorm uit gallisch *kagio, kajo ‘omwalling’ (vgl. kymr. cae ‘omheining’; dat oerverwant is met haag).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kade I, ka, kaai (wal), mnl. ca, caey, caye, keye v. m., bij Kil. ook kade. -de is secundair, vgl. Kil. buyde “bui”, puyde “pui”, mnl. valleide naast valleye enz. Dit -de is niet voldoende verklaard. Evenals nhd. quai, kai m., mnd. kaie ( > de. kai, zw. kaj), eng. quay “ka” uit fr. quai “id.”, dat van kelt. oorsprong is.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kade. Hoewel de vorm met -de reeds in 1366 voorkomt, zullen we er toch een vroeg voorbeeld in moeten zien van hypercorrectie naar de gevallen waarin vormen met j < intervoc. d of met syncope van d als minder deftig golden dan die mèt d, welke de geschreven taal begunstigde. Vgl. W.de Vries Tschr. 34, 122. Niet aannemelijk is de opvatting van Lindemans Hand. Kon. Comm. v. Top. & Dial. 6 (1932), 71 vlgg., die de d als oud beschouwt wegens het veel in toponymica voorkomende kat(te), door L. als ‘aarden op worp, rijsdam’ verklaard, dat dan een bijvorm van kade zou zijn, terwijl fr. quai (en de eng. ndd. hd. woorden) uit ndl. kaai zouden zijn ontleend. In het midden latende, hoe dit kat is te beoordelen, moet men deze verklaring van fr. quai, dat reeds in de 12e eeuw voorkomt (caio in gall. glossen reeds veel vroeger) afwijzen wegens de veronderstelde zeer hoge ouderdom van de ndl. overgang d > j.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kaai 1 v. (dam), gelijk Eng. quay, uit Fr. quai, van Gallo-Lat. caium + We.. cae = omheining, Bret. kae = dam, verwant met haag. Hgd. kay komt uit het Ndl.

kade 1 v. (dam), gev. uit kaai 1, naar de omgekeerde analogie van goedegoeie, enz.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kaai I: aanlêplek v. bote en skepe (WAT s.v. kaai1); Ndl. ka/kaai/kade (Mnl. ca(ye)/caey/keye, by Kil (met hiperk. -de) kade), soos Hd. quai/kai en Eng. quay uit Fr. quai, wsk. v. Kel. herk.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

kade 'oeverwal, lage, smalle, aarden dijk'
Aangenomen wordt dat kade 'oeverwal, lage, smalle, aarden dijk' een hypercorrecte vorm is van onl. ka, ontleend aan ofra. quai, dat weer terug gaat op een Keltisch woord voor 'haag, omheining', later ook 'wal, zoals Oud-Bretons caiou (mv.) 'wal'. Volgens een niet langer aanvaarde mening, waarbij wordt gewezen op 1111-1115 Cadesand (→ Cadzand)1, is de -d oorspronkelijk en is de ontlening andersom gegaan2.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 200, 2MVN 29 (1953) 83.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kaai (Keltisch)
kade (Keltisch)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kade, kaai ‘wal’ -> Duits Kai ‘door muren versterkte oever voor het laden en lossen van schepen’; Duits Kaje ‘(beschermings)dijk, oeverversterking’; Deens kaj ‘wal’; Noors kai ‘door muren versterkte oever voor het laden en lossen van schepen’; Zweeds kaj ‘wal’; Fins † kaija ‘wal, haven, werf’ ; Ests kai ‘wal’ (uit Nederlands of Duits); Indonesisch kade ‘beschoeide of gemetselde oeverstrook; werf voor laden en lossen van schepen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kaai wal 1457 [MNW] <Frans

kade wal 1111-1115 [Prisma NPl] <Keltisch

Hosted by Meertens Instituut