Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kabouter - (aardmannetje, kleine persoon)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kabouter zn. ‘aardmannetje, kleine persoon’
Mnl. misschien al in de familienaam cobbout in agrum cobbouts ‘Kobbouds akker’ [1212-23; CG I, 4], cobbouds weghe ‘Kobbouds weg’ [1263; CG I, 80] en Arnoud Cobboud word wettelic hoofman [1299; CG I, 2613], cobbout ‘kwade geest, kobold’ in wie dat sulke nonnen van cobboiden verloest waren ouermids haer gebed ‘hoe enige nonnen verlost werden van boze geesten door haar gebed’ [1276-1300; CG II, Lut.A]; vnnl. cabouterman [1573; Thes.], kabouter-manneken [1599; Kil.], kabouter [1666; WNT].
Met de Oudnederlandse overgang olt > out, zie → koud, ontwikkeld uit hetzelfde Germaanse woord als mhd. kobolt [ca. 1272; Gärtner], nhd. Kobold ‘hoogmoedige, goed- of kwaadaardige huisgeest’, zie de jongere ontlening → kobold, en zie aldaar voor de verdere mogelijke herkomst en klankontwikkeling; wrsch. is het een oude samenstelling.
In het Nederlands en in de Nederlandse dialecten trad een scala aan volksetymologische vervormingen op, bijv. klabo(u)ter, karbouter, al dan niet in samenstelling met manneke, mannetje; deze vervormingen kunnen samenhangen met mnl. cabotere wrsch. ‘dorser, vlasbraker’, maar dat is alleen aangetroffen als familienaam (MNW), of met een woord dat ‘boeman’ betekende, in het Middelnederduits klātermænneke, Nieuwnederduits klabātermann ‘boeman’, dat verband houdt met → klauteren (FvW). Uiteindelijk is alleen kabouter tot de standaardtaal gaan behoren. De overgang a > o vóór beklemtoonde lettergreep is kenmerkend voor het Nederlands, zie bijv. de Franse leenwoorden → bazuin en → kantoor.
Meestal werden met kabouters goedaardige wezens aangeduid. Dat is minder het geval bij de jongere Duitse ontlening kobold, en zie ook de op dit laatste woord gebaseerde naam van het chemische element → kobalt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kabouter* [aardmannetje] {cabouterman 1573} hetzelfde woord als hoogduits Kobold, dat waarschijnlijk een samenstelling is, waarvan het eerste deel middelnederlands cove, oostmiddelnederlands cave [hut, huisje], hoogduits Koben is en het tweede middelnederlands walden [over iets beschikken], hoogduits walten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kabouter znw. m., eerst bij Kiliaen kaboutermanneken met allerlei nevenvormen zoals wvla. klaboutermannetje, fries kabouter, klabouter, noordfri. klaboltermann, oostfr. kabauter maar ook ke-, kar-, ker-, kal-, kla-, kle-bauter, holst. krabaut, krabauter, in göttings klatermænneken naast nnd. klabatermann. — De vorm met -man, mannetje zal wel secundair zijn. Mnl. heeft reeds de vormen cobout, coubout, cobbout te vergelijken met mhd. kobolt, nhd. kobold. — Dit woord vergelijkt men met oe. cofgodu, cofgodas ‘penates, lares’ en neemt dan als 1ste lid aan germ. *kŭƀa (vgl. mnd. kōve, mhd. kobe, ‘stal, schuur’, oe. cofa, on. kofi ‘vertrek’) aan. De kobold is dan dus een soort van ‘huisgeest’ (het 2de lid kan zijn *walda ‘bestuurder, beschermer’ of *hulþa ‘demon, geest’).

Bij een zo sterk affectief begrip als dit zijn secundaire vervormingen vanzelfsprekend. Waarschijnlijk is uit de vorm kobold door de neiging tot intensivering van de anlaut zowel de vorm kla- als kra- ontstaan. — Mnl. wouterman(nekijn) ‘huis- of bosgeest’, zou verkort kunnen zijn uit *kowouterman, waarbij misschien het ww. wouten, wouteren ‘goed uitvallen, gelukken’ van invloed kan geweest zijn. — De omgekeerde ontwikkeling: wouterman bij wouteren ‘tuimelen’ verbonden met een rhithmeversterkend ka-suffix (A. C. Bouman Ts. 68, 1951, 97-128) is minder waarschijnlijk. Evenmin de gelijksoortige verklaring van Vercoullie Med. Vla. AW 1919, 181, die rekent met een ‘reduplicator’ ka-, kla- verbonden met de stam van balderen, bolderen, bulderen en daarom denkt aan een ‘poltergeist’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kabouter znw., sedert Kil.: kaboutermanneken. Bijvormen: wvla. klaboutermannetje, fri. klabouter (naast kabouter), noordfri. klaboltermann, oostfiï. ka-, ke-, kar-, ker-, kal-, kla-, kle-bauter, holst. krabaut(er). Hoewel Kil. klauteren nog niet vermeldt, is kabouterman misschien een vervorming resp. “streckform” van klauterman: vgl. Göttingsch klâtermænneken “spook waarmee men kinderen bang maakt”: ndd. klabâtermann (ndd. klâtern = “klauteren”); voor den vorm vgl. ook wvla. klabotsen “klotsen”. Voor deze hypothese en tegen verwantschap met hd. kobold m. “kobold, kabouter” pleit het feit, dat de samenst. met -man ouder is dan ’t niet samengestelde kabouter. Kobold kan echter op den vorm eenigen invloed hebben gehad. [Hd. kobold, mhd. kobolt wordt als *kuƀa-walða- “huisbestuurder” of *kuƀa-χulþa- “het huis welgezinde” opgevat (het tweede lid is dan met geweld verwant resp. = hou, en het eerste hoort bij mhd. kobe “stal, kooi” (nhd. koben), mnd. kōve(n), overijs. cōve (begin 16. eeuw) m. “hutje, schuur”, ags. cofa (eng. cove), on. kofi m. “vertrek”, verwant met gr. gúpē “onderaardsche woning, hol”, obg. župište “spēlaĩon, táphos”, av. gufra- “diep”; zie kof), ook wel uit gr. kóbālos “schelm, clown” afgeleid. Beide hypothesen zijn onzeker, de laatste is zeer onwsch.] Ook andere woorden kunnen invloed gehad hebben, zooals mnl. woutermanneken o. “spook, gedrocht”.

[Aanvullingen en Verbeteringen] kabouterman. De mnl. mvv. coubouten en cobboiden (lees -ouden) “kobolden, huisgeesten” maken ospr. identiteit met hd. kobold wsch. Alle etymologieën hiervoor zijn onwsch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kabouter. De samenst. met -man is blijkens mnl. coubouten, cobboiden (het is niet nodig hier cobbouden te lezen; vgl. Holmberg Best, d’Am. 69 vlgg.) ‘huisgeesten’ niet ouder dan kabouter (v.Wijk Aanv.). Hierdoor wordt het wsch. dat het ndl. woord ospr. met mhd. kobolt identisch is, terwijl de kl-vormen als vervormingen zijn op te vatten. Onaannemelijk Vercoullie Vla. Acad. 1919, 181 vlg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kabouter m., met bijvorm klabouter, Mnl. coubout + Ndfri. klabolter, Ndd. kabauter, met bijvormen kla-, kal-, kle-, kar-, ker-bauter, Hgd. kobold: is een redupl. van balderen, bolderen, en dus synon. van poltergeest (t ontstond uit d tusschen l en r). Over ka, kla enz. als redupl.. z. Inleiding (Verklaring van eenige vakwoorden).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kabouter: “aard- of huisgees” (WAT); Ndl. kabouter (Mnl. co(u)bout/cobbout, by Kil kaboutermanneken, WVl. klaboutermannetje, Fri. k(l)abouter, OFri. kabauter), Hd. kobold; verder draai die bet. om “goedgesinde huisgees” of “kwaadaardige klopgees” – blb. hoort dié naam tuis by die Germ. volksgeloof.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kabouter: iemand die erg klein is. Wanneer van toepassing op kinderen, dan liefkozend.

De helper… de assistent van de ongerijmd opgebouwde kabouter, van de… van de gnoom… (Roobjee, Vincent en Astrid van Gogh verdwijnen in een korenveld, 1977)
Op een gegeven moment ging de deur van de operatiekamer open en er kwam nog iemand, eveneens erg klein van stuk, binnen. Hij beende regelrecht op de snijtafel af. ‘Daar heb je nog zo’n kabouter,’ zei de kribbige Briët hardop. ‘Uw examen is morgen niet om halfelf, maar om elf uur en doet u het maar bij mij thuis, dat is makkelijker,’ zei de professor. (J.M.A. Biesheuvel, Reis door mijn kamer, 1984)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kabouterman. De schippers gelooven (althans vroeger), dat een goede geest, de kabouterman, des nachts door kloppen met den hamer (klavaats- of kalfaatshamer) de slechte plaatsen (d.w.z. die gevaar voor een lek opleveren) van ’t schip aanwijst (vandaar ook „klabouterman”). Hiernaast bestond een andere geest, n.1. de kobold (letterlijk: huisbeschermer; kob of kof = huis; old, ald van walten = besturen, beschermen, zie Geweld). Deze beide geesten zijn door ’t volk vereenzelvigd tot den kabouterman.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kabouter ‘aardmannetje; (verouderd) lid van Nederlandse politieke protestbeweging’ -> Engels kabouter ‘aardmannetje; (verouderd) lid van Nederlandse politieke protestbeweging’; Chinees-Maleis kabowterces ‘aardmannetjes’; Menadonees kabotèr ‘zeer klein (van lichaamsbouw)’; Papiaments kabouter ‘aardmannetje’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kabouter* aardmannetje 1573 [Plantijn]

kabouter* lid van politieke groepering die een niet-autoritaire maatschappij nastreeft 1970 [Recht voor raap]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut