Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kabeljauw - (schelvisachtige vis (Gadus morrhua))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kabeljauw zn. ‘schelvisachtige vis (Gadus morrhua)’
Onl. cabillaw ‘kabeljauw’, gelatiniseerd in de piscibus, de cabillawis schelviscis de pladisis ‘over vissen, kabeljauwen, schelvissen en schollen’ [12e eeuw; GN] en centum cabellauwi ‘honderd kabeljauwen’ [1163; Du Cange]; mnl. cabelliau, als toenaam van bijv. Oliuerus dictus cabelliau ‘Olivier, genaamd kabeljauw’ [1272; CG I, 223], van snoeken ende cabbeliauwe ‘van snoeken en kabeljauwen’ [1286; CG I, 1183], een tonne kabeljaus ‘een ton (inhoudsmaat) kabeljauw’ [14e eeuw; MNW tonne]. Daarnaast verouderde vormen als vnnl. bakkelauw ‘bij Groenland gevangen kabeljauw’ [1681; WNT], bakkeljau ‘id.’ [1685; WNT].
Herkomst omstreden. Min of meer gelijkluidende woorden zijn over geheel continentaal West-Europa verspreid. Oude woorden met cab- zijn Nederlands kabeljauw en Frans cabillaud ‘(verse) kabeljauw’ (naast algemener morue), Oudfrans cabellau [ca. 1250; Rey], cabillau [1278; Rey]. Middelnederduits kabelaw, Hoogduits Kabeljau ‘kabeljauw’, Deens kabeliau en Zweeds kabeljo ‘gedroogde kabeljauw’ (naast algemener torsk) zijn wrsch. ontleningen. Woorden met baca- zijn oorspr. zuidelijk en betekenen alle ‘gezouten en gedroogde kabeljauw’: Spaans bacalao, Catalaans bacallá, Portugees bacalhau (waaruit Surinaams-Nederlands bakeljauw), Provençaals bacalau, Italiaans baccalá, Baskisch bakallao, bakailo, makailo, vormen die geen van alle vóór 1500 geattesteerd zijn.
Frans cabillaud zou zijn gevormd uit Latijn caput (genitief capitis) ‘hoofd’, verwant met → hoofd (en zie → kaap), en een afleiding van latus ‘breed’, dus oorspr. ‘dikkop’, waarmee een zeevis werd aangeduid, niet noodzakelijk de kabeljauw. Dezelfde Latijnse wortel verschijnt in de reeds klassiek-Latijnse visnaam capito ‘dikkop, harder’, Neolatijn capito ‘kabeljauw’ [1565-73; OED codfish], en Neolatijn capitosus ‘schelvis’ [1573; Thes.]. De Romaanse vormen met baca- kunnen zijn afgeleid van Laatlatijn *bacallanus, een verkleinwoord van baculus ‘stok, staafje’, zie → bacil, naar de langwerpige vorm van de visdelen zoals die worden verhandeld na zouting en droging.
Meestal wordt aangenomen dat de ene groep woorden door ontlening, metathese en volksetymologie uit de andere groep is ontstaan, waarbij aan het Baskisch een brugfunctie wordt toegewezen: het ligt geografisch centraal t.o.v. beide groepen woorden en de Basken speelden in de 16e eeuw een grote rol in de vangst en handel van kabeljauw uit de wateren tussen Canada en Groenland. Welke groep woorden oorspronkelijk is, de Germaans-Franse of de Zuid-Romaanse, is omstreden. Zeer aannemelijk is echter de opvatting van Sayers (2002), die de overeenkomsten tussen beide woordgroepen aan toeval wijt en juist de verschillen benadrukt. De zuidelijke woorden met baca- sloegen oorspr. altijd op kabeljauw uit Canadese en Groenlandse wateren en hebben in de Romaanse talen uitsluitend betrekking op de door zouting en droging geconserveerde vis. De noordelijke woorden met cabi- en cabe- duiden daarentegen de verse vis aan, die men op rekken door de wind laat drogen en dan → stokvis noemt. Sayers accepteert beide hierboven genoemde etymologieën en schrijft de verspreiding van de baca-vormen toe aan de handelspositie van de Basken in de 16e eeuw.
Surinaams-Nederlands bakkeljauw ‘op zekere manier bereide (gedroogde) kabeljauw’ is ontleend aan Portugees bacalhau ‘(gedroogde) kabeljauw’ en is in het laatste kwart van de 20e eeuw met de Surinaamse keuken ook in Nederland bekend geworden.
Lit.: A. Kluyver (1927), ‘Over de woorden kabeljauw en bakeljauw’, in: Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde, A-63/7, 183-200; W. Sayers (2002), ‘Some Fishy Etymologies: Engels cod, Norse þorskr, Du. kabeljauw, Sp. bacalao’, in: Nowele 41, 17-30

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kabeljauw [zeevis] {cab(b)eliau 1272} ook bakeljouw {1601-1625} vgl. frans cabillaud, spaans bacallao, etymologie onzeker. De eerste vermelding stamt uit Vlaanderen, in de verlatijnste vorm cabellauwus {1163}, mogelijk < gascons kabiljak, eventueel terug te voeren op latijn caput [kop], maar om chronologische redenen is gasconse herkomst twijfelachtig. De romaanse vormen zijn ontleend aan het nl.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kabeljauw znw. m., mnl. cabbeliau, cabeljau, cablau m., Teuth. cabliauwe, mnd. kabelow, kabbelouw, kaplaw. Reeds in de 12de eeuw komt in de Nederlanden de lat. vorm cabellauwus voor. — Uit het nnl. of nnd. > nhd. kabeljau, kabliau, de. kabliau, zw. kabeljo, fra. cabillaud, misschien ook ne. cabilliau, cabeliau (sedert 1696, vgl. Bense 33). — Daarnaast staat ouder-nnl. bakeljauw, bakelauw dat in de 16de eeuw opnieuw uit bask. bakallao of spa. bacallao overgenomen is.

Daar de Basken reeds vroeg deze vis bij New-Foundland visten, dacht men aan een herkomst uit bask. bakallao (Uhlenbeck Ts. 11, 1892, 225). Maar dit is zelf een ontlening uit het spa. A. Kluyver, Med. AW Amsterdam afd. lett. 63, A, Nr. 7 voert dit terug op een mlat. *baccallanus een vorm naast *baccallaris, naam voor een geestelijke, later overgedragen op de vis (zoals ook de namen abadejo en curadillo voor dezelfde vis). De omzetting tot kabeljauw zou geschied kunnen zijn onder invloed van namen als fra. chabot of cabot, een afl. van lat. caput, dat de vis als ‘dikkop’ aanduidt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kabeljauw znw., mnl. cabbeliau, cabeljau, cablau m. = Teuth cabliauwe, mnd. kabelow, kabbelouw, kaplaw m. Uit het Ndl.-Ndd. nhd. kabeljau, kabliau m., de. kabliau, zw. kabeljo, fr. cabillaud. In de 12. eeuw komt in de Nederlanden de lat. vorm cabellauwus al voor. Men denkt aan ontl., met metathesis van de consonanten, uit bask. bakallao “kabeljauw”. De bask. oorsprong van ’t woord wordt er door het vroege voorkomen hier te lande niet waarschijnlijker op. Oudnnl. bakeljauw gaat ongetwijfeld op bask. bakallao (via spa. bacallao?) terug. De afl. uit een russ. koblowaja (van kobl “paal”) is onwsch., aangezien dit russ. woord zeer hypothetisch is. De bet. zou geen bezwaar zijn: vgl. stokvis van stok; ook bask. bakallao, spa. bacallao wordt van lat. baculus “stok” afgeleid.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kabeljauw. Na Kluyver Meded. K. Ak. Afd. Lettk. LXIII Serie A, no. 7 (= Verspr. Geschr. 391 vlgg.) kan men met enige waarschijnlijkheid uitgaan van spa. bacallao, bacalao ‘stokvis’ (in het Bask. eerder uit het Spa. dan omgekeerd); met omzetting — onder invloed van een franse visnaam met cab-?? — zou dan uit de eerste vorm mnl. cabelliau, cabeljau, uit de tweede mnl. cabelau ontstaan zijn. In de 16e of 17e eeuw is nnl. bakeljauw, bakelauw opnieuw ontleend. Geheel helder is het verloop echter niet, en het chronologisch bezwaar van v.Wijk blijft onverminderd gelden. — De afl. van het spa. woord van lat. baculus is onwsch.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kabeljauw v., evenals Hgd. kabeljau, De. id., Zw. kabeljo, met metath. uit Bask. bacallao = stokvisch, wellicht van Lat. baculus = stok. Zonder metath. ouder Nl. en Vla. bakeljauw.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

kabeljou s.nw.
Baarsagtige stekelvinvis wat 'n belangrike eetvis is.
Uit Ndl. kabeljauw (1654). Die naam kabeljou is in Afr. aan die vis gegee wat in Ndl. ombervis genoem word, 'n vis wat om sy vleis en lewertraan as byproduk gevang word. Afr. kabeljou en Ndl. kabeljauw verwys dus nie na een en dieselfde vis nie.
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1837).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kabeljou: viss. (Johnius hololepidotus, fam. Sciaenidae – WAT); die Ndl. kabeljauw (Mnl. cabbeliau/cabeljau/cablau) is Gadus morrhua, fam. Gadidae, terwyl ons kabeljou beantw. aan die Ndl. ombervis (Sciaena aquila, fam. Sciaenidae – Scho PD 10); reeds 12e eeu Ll. vorm cabellauwus, wu. wsk. via Ndl. of Ned. in Hd. kabeljau/kabliau, Fr. cabillaud/cabliau en Eng. cabilliau/cabeliau; Bask. bakallao wsk. via Sp. (vgl. dVri J NEW); i.s. ander name v. WAT, en Eng. name in S.A. in Bul 2, 137.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (1998), Geleend en uitgeleend: Nederlandse woorden in andere talen en andersom, Amsterdam

ansjovis, bokking, garnaal, haai, kabeljauw, labberdaan, maatjesharing, makreel, potvis

De meeste mensen denken bij Nederlandse leenwoorden in andere talen onmiddellijk aan maritieme termen. Ik betwijfel of het Nederlands inderdaad voornamelijk maritieme termen heeft uitgeleend, maar daarop kom ik elders nog wel eens terug. Dát er maritieme termen zijn uitgeleend, staat buiten kijf. Bijvoorbeeld aan het Duits. Laten we ons beperken tot visnamen. De Nederlandse benamingen ansjovis, bokking, garnaal, haai, kabeljauw, labberdaan, maatjesharing, makreel en potvis zijn door het Duits overgenomen als Anschovis, Bückling, Garnele, Hai, Kabeljau, Lab(b)erdan, Matjeshering, Makrele en Pottfisch. De meeste ontleningen zijn al oud: in de veertiende eeuw is makreel geleend, in de vijftiende eeuw bokking, in de zestiende eeuw garnaal, in de zeventiende eeuw zijn ansjovis, haai, kabeljauw en labberdaan geleend, en in de achttiende eeuw maatjesharing en potvis.

Enkele van deze visnamen zijn in het Nederlands gevormd, maar de meeste hebben wij zelf ook weer geleend. De zee is van oudsher een ontmoetingsplaats geweest voor verschillende volkeren die verschillende talen spraken. De taal van de zee is dus altijd internationaal geweest, al in de klassieke Oudheid, toen de Middellandse Zee het middelpunt van de westerse wereld vormde. De mediterrane handelstaal die daar ontstond, kreeg in de zestiende eeuw zelfs een speciale naam, lingua franca, wat Italiaans is voor ‘Franse of Frankische taal’. De woordenschat van deze taal bestond voornamelijk uit Italiaanse woorden met versimpelde uitgangen, en leenwoorden uit het Frans, Spaans, Grieks, Arabisch en Turks. Met ‘Franse’ taal bedoelden de Arabieren en de andere gebruikers waarschijnlijk ‘Europese’ taal. Ook in de noordelijke zeeën ontmoetten vissers van allerlei nationaliteiten elkaar, en ook hier ontstond een speciale gemeenschappelijke woordenschat. De visnamen kunnen dit illustreren; het is leerzaam de wegen te volgen die ze afgelegd hebben.

‘Echt’ Nederlands zijn bokking, maatjesharing en potvis. De herkomst van de naam van de gerookte haring, bokking, vroeger ook wel boksharing, heeft Kiliaan in 1599 al uiteengezet. Het woord is afgeleid van de dierennaam bok ‘a foedo odore’ — vanwege de onaangename geur. De uitgang -ing wordt vaak bij visnamen gebruikt, denk aan haring, paling, spiering, wijting. In het Middelnederlands was de vorm buckinc (een bok heette toen ook buc), en het woord is het eerst in 1285 gevonden. De Middelnederlandse vorm wordt nog weerspiegeld in de oudste Duitse vorm bückinc. De l is in het Duits waarschijnlijk toegevoegd naar analogie van andere Duitse mannelijke woorden op -ling, zoals Schilling en Weißling ‘wijting’.

Kiliaan gebruikte in 1599 maeghdekens haerinck met als omschrijving ‘halec prima virginea, [...] lactibus et ovis carens’, letterlijk: eerste maagdelijke vismengsel zonder melk (hom) of eieren (kuit). Hieruit blijkt dus de herkomst van maatjesharing: het eerste deel is maagd, en maatjesharing is dus zeer jonge haring, waarbij de hom of kuit nog niet ontwikkeld is. Het Duits heeft het woord op de klank overgenomen, zonder dat de oorsprong ervan werd onderkend.

De potvis, wiens naam voor het eerst in 1634 is aangetroffen, is een enorm dier dat behoort tot de walvisachtigen en door zijn omvang groot respect afdwong. Potvissen spoelden ook vroeger al op het strand aan. Het dier heeft een logge, van voren afgeplatte kop. Uit de oude variant potshoofd blijkt, dat het hieraan zijn naam te danken heeft: de kop van het dier werd vergeleken met een pot. Vroeger noemde men het dier ook wel potswal of potwalvisch. Het Duits heeft beide vormen van ons overgenomen en kent dan ook zowel Pottfisch als Pottwal.

De andere visnamen zijn geleend uit talen waarmee wij op zee contact hadden. Ansjovis hebben we overgenomen uit Spaans anchoa, ouder anchova. De oudste Nederlandse vorm, in 1518, luidde anchiovis. Door volksetymologie heeft het woord bij ons de uitgang -vis gekregen en in die vorm is het door het Duits overgenomen.

Haai is een leenwoord uit het Noorden. We hebben het ontleend aan Oudnoors hár, en wel in de tweede helft van de vijftiende eeuw. De Duitsers hebben het weer van ons overgenomen, aanvankelijk uit reisverhalen, want veel haaien zwommen er niet in de Noordzee. Het Duits heeft Hai ook ter verduidelijking uitgebreid tot Haifisch.

Over de herkomst van kabeljauw hebben verschillende wnt-redacteuren zich het hoofd gebroken, maar desondanks is het probleem nog niet opgelost, en of dat ooit zal gebeuren is de vraag. Het probleem van deze oude visnamen is, dat zij in zoveel talen voorkomen en — door de mondelinge overdracht van taal tot taal — in zoveel verschillende vormen, dat het bijkans onmogelijk is de herkomst te bepalen. De oudste vorm, uit 1272, luidde cabellau. Andere vormen waren cabbeliau, cablau. Al in 1163 werd het woord in het middeleeuws Latijn genoemd: in een in Vlaanderen geschreven stuk is sprake van centum cabellauwi ‘honderd kabeljauwen’. Vanaf eind zestiende eeuw kwamen ook vormen voor als bak(k)eljauw, bakelauw.

De eerste wnt-redacteur die zijn tanden in het probleem van de herkomst van kabeljauw heeft gezet, was de bekende lexicograaf Matthias de Vries. In een noot bij een artikel uit 1870 wijst hij erop dat de kabeljauwvisserij voor de Basken een belangrijk middel van bestaan was, en dat zij al vroeg in de verre zeeën bij Newfoundland op kabeljauw visten. Daarom meent hij dat bakkeljauw geleend is uit Baskisch bacallaoá. De vorm kabeljauw zou ontstaan zijn door omzetting van bak in kab.

wnt-redacteur C.C. Uhlenbeck was het hiermee niet eens. In een artikel uit 1892 meende hij dat juist andersom de Basken hun woord aan ons kabeljauw hebben ontleend, en dat de omzetting van kab in bak in het Baskisch heeft plaatsgevonden, waar dit verschijnsel vaker optreedt. Vervolgens zou het Nederlands de omgezette vorm teruggeleend hebben uit het Baskisch, vandaar de vorm bakkeljauw. Maar waar kwam het oorspronkelijke kabeljauw dan vandaan? In de ogen van Uhlenbeck moest de oorsprong in het Russisch gezocht worden, en wel in de — overigens slechts door hem aangenomen — benaming koblovaja (ryba). Ryba betekent ‘vis’ en koblovaja is een afleiding van kobl ‘paal, staak’; de vis zou dus in het Russisch letterlijk ‘stokvis’ heten. De o in de eerste lettergreep is onbeklemtoond en wordt in het Russisch als a uitgesproken.

Uhlenbeck wist de taalkundige wereld niet te overtuigen. In 1927 waagde zijn collega Kluyver een volgende poging. Zijn artikel bevat veel mitsen en is voornamelijk gebaseerd op gereconstrueerde vormen, wat de argumentatie er niet sterker op maakt. Naar zijn mening is de Baskische vorm ontleend aan Spaans bacal(l)ao, een mening die men tot op heden is toegedaan. Maar de redenering die hij dan ontvouwt, vindt tegenwoordig geen aanhang meer. De Spaanse vorm zou volgens hem teruggaan op een niet gevonden middeleeuws Latijnse vorm baccallanus, baccallaris ‘geestelijke’. Deze naam zou later overgedragen zijn op de vis (zoals in het Frans capelan de naam voor een kleine vis is). Dit woord zouden wij van Spaanse of Baskische vissers overgenomen hebben. Daarnaast zouden wij Franse visnamen kennen die beginnen met ca-, zoals cabot, chabot, wat een afleiding is van Latijn caput ‘kop’; de vis is dus eigenlijk de ‘dikkop’. Vervolgens zouden wij bakeljauw en cabot met elkaar verward hebben, met als resultaat kabeljauw.

In zijn etymologisch woordenboek van 1991 verwijst wnt-redacteur De Tollenaere deze verklaring definitief naar het rijk der fabelen. Spaans bacalao is pas sinds 1519 bekend, dus hoe zou kabeljauw, dat al in de twaalfde eeuw voorkomt, een omzetting van dit Spaanse woord kunnen zijn? Maar wat is dán de herkomst van kabeljauw? Sommige romanisten hebben als oorsprong Gascons cabilhau aangewezen, dat een afleiding van cap ‘kop’ zou zijn, maar de meeste romanisten menen toch dat de Romaanse vormen allemaal aan het Nederlands ontleend zijn, omdat het woord het eerst in Vlaanderen is gevonden. De vraag naar de herkomst van het woord staat dus nog open.

De herkomst van bakeljauw lijkt inmiddels wél duidelijk. Dit woord is, via Spaanse of Baskische vissers, ontleend aan Spaans bacalao (waarbij we in het midden laten waar dit dan vandaan komt). Het woord bak(k)eljauw voor ‘kabeljauw’ is uit het Nederlands verdwenen, maar wordt in het Surinaams-Nederlands nog veel gebruikt voor ‘sterk gezouten, gedroogde en weer opgeweekte kabeljauw, schelvis of heek’, en zo heeft het woord bij ons zijn rentree gemaakt.

Ook de labberdaan, de gezouten kabeljauw, heeft heel wat pennen in beweging gebracht. De conclusie luidt, dat we de labberdaan ontleend hebben aan een Franse vorm labourdan. Dit woord is afgeleid van Le Labourd, de naam van een deel van het Baskenland waarvandaan de Basken op kabeljauw gingen vissen bij het verre Newfoundland. De Basken zoutten de vis in, om hem tijdens de lange reis goed te houden. De oudste vormen in het Nederlands waren abberdane (de l- werd beschouwd als het Franse lidwoord l’) uit 1510 en habourdaen uit 1514. De vorm labberdaen is voor het eerst in 1618 gevonden.

Het woord makreel heeft een verrassende geschiedenis. Het is zijn loopbaan waarschijnlijk in het Nederlands begonnen als makelaar ‘tussenhandelaar’. Dit makelaar is door het Frans geleend, alwaar het de vorm maquerel ‘koppelaar’ kreeg (tegenwoordig maquereau). Vervolgens is dit woord overgedragen op de vis; de vorm makerel ‘makreel’ dateert van 1140. Volgens het volksgeloof volgt de makreel namelijk de jonge haring, de maatjesharing, en brengt de mannetjes en wijfjes bij elkaar, koppelt ze. Zo kreeg maquerel in het Frans twee betekenissen: ‘koppelaar, pooier’ en ‘makreel’. In die laatste betekenis werd het in het Nederlands teruggeleend in de vorm makreel, gevonden in 1270 als makerreel. En laat makreel nu in het Bargoens de betekenis ‘pooier’ hebben!

De herkomst van garnaal ten slotte is niet zeker. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal geeft vele suggesties, maar beëindigt het artikel met de verzuchting: ‘[...] waaruit genoegzaam blijkt, dat de oorsprong des woords nog niet is opgehelderd.’ Het woordenboek van De Tollenaere geeft eveneens een aantal, deels weer nieuwe, suggesties, maar acht het gezien de oudste vorm gheernaert (omstreeks 1530) het meest waarschijnlijk dat het woord teruggaat op de persoonsnaam Geernaert, die aan het middeleeuws Latijn is ontleend. Dieren krijgen wel vaker een persoonsnaam, denk bijvoorbeeld aan keeshond, pietje voor een kanarie (dit kan ook klanknabootsend zijn) en misschien pier ‘worm’. Naast de vorm garnaal (1657) kenden we vroeger ook garneel, en die vorm is terug te vinden in Duits Garnele.

Tot zo ver de herkomst van de visnamen. Nu de verbreiding. Hebben behalve het Duits nog andere talen deze Nederlandse woorden geleend? Jawel. Zo vinden we bijvoorbeeld — de opsomming is niet uitputtend — ansjovis ook in het Russisch (ančous) en Fries (ansjofisk). Het woord komt ook voor in het Engels (anchovy) en Frans (anchois), maar deze talen hebben direct uit het Spaans geleend, niet via het Nederlands. De bokking heet in het Fries bokking en in het Zweeds böckling, dat blijkens de l geleend is via het Duits. De Friezen noemen de garnaal onder andere garnaal, garneel, de Engelsen gebruikten in het verleden garnel, gernel. De haai is door het Zweeds en het Deens overgenomen als haj, wat opmerkelijk is omdat wij het woord uit het Oudnoors, de voorloper van de Scandinavische talen, hebben geleend! In verouderd Engels werd hij haye genoemd, en de Friezen zeggen nog steeds haai. De kabeljauw vinden we terug in Frans cabillaud, Engels cabilliau (geleend via het Frans), Fries kab(b)eljau, Zweeds kabeljo en Deens kabliau. De Russen noemen de labberdaan een laberdan. De Denen hebben maatjesharing gedeeltelijk vertaald: in matjessild is sild het Deense woord voor haring. In het Engels is maatjesharing verkort tot matie. De makreel vinden we terug in Zweeds makrill, Deens makrel, Noors makrell, Fries makriel en Russisch makrel’ (Engels mackerel is uit het Frans geleend). De potvis ten slotte heet in het Fries potfisk en werd in het Engels vroeger wel pot-fish genoemd.

Hiermee lijkt wel bewezen dat in het verleden ook in de noordelijke zeeën een lingua franca gesproken werd, en dat het Nederlands in de woordenschat van deze lingua franca een niet te onderschatten rol gespeeld heeft.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kabeljauw ‘beenvis’ -> Fries kab(b)eljau ‘beenvis’; Engels kabeljou ‘ombervis’ ; Engels cabilliau, cabeliau ‘beenvis; soort stokvis’ ; Duits Kabeljau ‘beenvis’; Deens kabliau ‘beenvis’; Noors kabeljau/kabeljå ‘grote vis, gevangen in noordelijke wateren’; Zweeds kabeljo ‘beenvis’; Frans cabillaud ‘beenvis’; Zuid-Afrikaans-Engels kabeljou ‘beenvis’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kabeljauw beenvis 1101-1200 [Tavernier] <?

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1986. Een schelvisch uitwerpen om een kabeljauw te vangen,

d.w.z. iets gerings opofferen om een grooter voordeel te verkrijgen. Vroeger was meer gewoon: een spiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen; vgl. Spieghel, 295; Winschooten, 276: Een spiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen: dat is, oneigendlijk genoomen: iemand iets kleins vereeren, op hoop van iets beeters weer te krijgen’; bij andere schrijvers is weer sprake van een aal, bijv. Idinau, 168: een aelken werpen, om eenen snoeck te vanghen. Zie Suringar, Erasmus, no. CCXXVII; Harreb. III, 97 b en vgl. de synonieme uitdrukkingen: een haring uitwerpen om een zalm te vangen (Harreb. I, 284); avontuur een sardijntje om een' snoek te vangen (Harreb. II, 236); mit een metworst noar een stuk, een ziede spek, 'n schink gooien (Taalgids V, 154; Dr. Bl. III, 49; Dirksen I, 350); een teling uitzenden om een eendvogel te vangen (Harreb. I, 171 b); een avel uitwerpen om een snoek te vangen (Welters, 95); een bliekske (of een rotse) smijten om eenen snoek te vangen; een appel geven om een ei te krijgen (De Bo, 148 b; 957 a); een pieringsken, een witvischken, een vischken, een spieringsken, een baasken in 't water werpen om eenen snoek (of eenen kabiljauw) te vangen (Schuermans, 476 a; Bijv. 274 b; Waasch Idiot. 317 b; Antw. Idiot. 1379); een ei geven om een hoen (een schaap, een os) terug te krijgen (Ndl. Wdb. III, 3971); met een (slecht) vorentje een (vetten) karper vangen (De Brune, Bank. II, 174). In het fr. donner un oeuf pour avoir un boeuf; donner un pois pour avoir une fève; hd. mit der Bratwurst nach eine Seite Speek schieszen; oostfri.: mit 'n pinke na 'n schinke smiten (Ten Doornk. Koolm. II, 718 b); noordfri.: hi leat an Swalk (zwaluw) ûtj flä an wol an Gus (gans) wedder ha; eng. to cast a sprat to catch a whale or to bait with a sprat to catch a mackerel; fri. in spjirring útsmite om in kabbeljau to fangen of in tielling útstjûre om in einefûgel to fangen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut