Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kabaal - (opschudding, herrie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kabaal zn. ‘opschudding, herrie’
Vnnl. cabale, cabaal ‘intrige, geheim complot’ [1660; WNT], ‘groep intriganten, oproerig volk’ [1676; WNT]; nnl. kabaal ‘opschudding, rumoer’ in nooit was er ter wereld zoo'n hevig kabaal [1845; WNT], ‘lawaai’ [1897; Koenen].
Ontleend aan Frans cabale met achtereenvolgens de betekenissen ‘doctrine, traditionele overlevering’ [1532; Rey], ‘geheim complot’ [1546; Rey] en ‘groep intriganten’ [1636; Rey]. Het is ontleend aan Hebreeuws qabbālā (volgens de Sefardische uitspraak) ‘geheime mystieke leer’, zie → kabbala. De jongste betekenissen zijn in het Frans onbekend en moeten zich dus in het Nederlands hebben ontwikkeld.
Opmerkelijk is het bestaan van mnl. caboel ‘opschudding, rumoer’ met een oude attestatie in tcaboel dat jaechde mi van daer, want onruste scuwic, dats mijn aert [1350-1400; MNW-R]. Dit woord was uitsluitend Vlaams en werd door Kiliaan al verouderd genoemd; de laatste vindplaatsen in het WNT zijn uit de 17e eeuw. Het gaat wrsch. terug op de Asjkenazische uitspraak kabbolo, waaruit ook Jiddisch kabbole voortkwam.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kabaal [lawaai] {cabaal [intrige] 1660; de huidige betekenis 1845} < frans cabale [kuiperij] < hebreeuws qabbālā (vgl. kabbala).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

kabaal

In 1670 benoemde Koning Karel II van Engeland tot minister de heren Clifford, Arlington, Buckingham, Ashley en Lauderdale. De eerste letters hunner namen vormen het woord cabal en men heeft wel eens gedacht dat ons woord kabaal, vroeger veelal geschreven cabaal, daarvan afstamde. Dit is echter onmogelijk, want het woord komt reeds lang vóór 1670 voor. Het is een afleiding van het Hebreeuwse woord kabbala dat eigenlijk betekent: de uitleg van het Oude Testament en vandaar: geheime leer, intrigue, samenzwering, opschudding, rumoer. Het is waarschijnlijk dat de laatste, niet voor de hand liggende betekenisovergang is beïnvloed door het Middelnederlandse woord caboel: rumoer, twist. Zeker is dit echter niet.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kabaal znw. o., eerst na Kiliaen < fra. cabale < hebr. ḳabbāla ‘geheimleer der rabijnen’; sedert de 16de eeuw krijgt cabale de bet. ‘listen, intrigue’ (vgl. ook nhd. kabale). De nl. bet. ‘lawaai, rumoer’ kan ontstaan zijn naar aanleiding van de oosterse levendigheid, waarmee de joden sjacherden; opmerkelijk is echter mnl. caboel ‘rumoer, leven; twist’, dat Kiliaen als vlaams aangeeft, maar waarvan de oorsprong ook onbekend is. (FW 284 denkt aan invloed van triboel ‘beroering, onrust’ < ofra. triboul ‘opschudding’ van lat. tribulare).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kabaal znw. o., nog niet bij Kil. Internationaal woord, op hebr. qabbâlâh “rabbijnsche geheimleer” teruggaande. In de bet. “rumoer” misschien beïnvloed door mnl. caboel o. “rumoer, twist”, door Kil. “vetus. Flandr.” genoemd, dat misschien onder invloed van het ook in ’t Mnl. ontleende ofr. triboul “opschudding” (nomen bij lat. tribulâre), eventueel ook van den stam van fr. bouiller “remuer” ( ’t grondwoord in ofr. boul “tromperie”?) ontstaan is.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

kabaal s.nw.
1. Lawaai of rumoer. 2. Bohaai wat ontevredenheid of protes weergee.
In bet. 1 uit Ndl. kabaal (1845). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kabaal: “lawaai, rusie” (WAT); Ndl. kabaal (nog nie by Kil nie), soos Eng. cabal uit Fr. cabale, tans in ’n mate intern., gaan terug op Hebr. qabbalah/kabbala, “rabbynse geheimleer”, in bet. “rumoer”, misk. onder invl. v. Mnl. caboel (by Kil kaboel as Vl. en veroud.) en dit mntl. weer deur byg. aan Mnl. triboel, “onenigheid, onrus” en verb. m. Lat. tribulare, “skei, verdeel”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kabaal (Frans cabale)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Cabaal (Fr. Cabale, Hebr. Kaballah = ontvangst, overlevering), oorspronkelijk Joodsche Theosophie, ontvangen door een rechtstreeksche ingeving van God aan Abraham, of volgens anderen aan Adam zonder verdere onderbreking meegedeeld aan de ingewijden. Bij uitbreiding van beteekenis duidde het later een geheim verbond aan, een geheime samenzwering, ter bereiking van misdadige doeleinden. Zoo is in de Engelsche geschiedenis vooral berucht het Cabal-ministerie, aldus genoemd naar de eerste letters van Clifford, Arlington, Buckingham, Ashley en Lauderdale, die koning Karel II benoemde tot zijn geheimen Raad voor buitenlandsche zaken en die zich berucht maakten door hun politiek tegen het Parlement.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kabaal ‘lawaai’ -> Sranantongo kabal, kabai ‘lawaai’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kabaal lawaai 1845 [WNT] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1050. Kabaal maken (- schoppen, - slaan).

Onder kabaal, fr. cabale, hebreeuwsch kabbâlâh (overlevering), verstaat men in de eerste plaats de bijbeluitlegging en de godsdienstige symboliek, alleen den priesters bekend; vandaar: geheime wetenschap; vervolgens heimelijke verstandhouding, samenspanning, samenzwering, oproer, leven, drukte. Vgl. het 17de-eeuwsche monopolie, dat ook de beteekenissen samenspanning en drukte, rumoer in zich vereenigt.Zie over eene andere afleiding van kabaal, rumoer, Tijdschrift IX, 299 en Ndl. Wdb. III, 1947. In de 18de eeuw komt bij de dames Wolff en Deken ook voor baal maken of schoppen, waar we evenwel met het op zijn Fransch uitgesproken znw. bal te doen hebben.Ndl. Wdb. II, 904.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut