Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kaatsen - (een bepaald balspel spelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kaatsen ww. ‘een bepaald balspel spelen’
Mnl. de kache te speelne (wrsch. met Picardische spelling ch = /ts/) ‘te kaatsen’ [1338; Stall. II], te scaken binnen Haerlem ende te caetsen ‘te schaken en te kaatsen in Haarlem’ [1374-94; MNW].
Ontleend aan Oudpicardisch cacha (zn.) ‘soort kaatsspel’ [ca. 1300; FEW], afgeleid van het werkwoord cachier ‘proberen te vangen’, het equivalent van Oudfrans chacier ‘id.’ [1130-60; Rey] (Nieuwfrans chasser ‘jagen’), ontwikkeld uit vulgair Latijn *captiare, variant van Latijn captāre ‘jagen op, proberen te verkrijgen’, frequentatief van capere ‘vangen, nemen, grijpen’, verl.deelw. captus, verwant met → heffen.
Nfri. keatse. In de andere Germaanse talen is het woord als spelnaam onbekend. Wel is Noord-Frans in de algemene betekenis ‘proberen te vangen’ ontleend als me. cachen ‘opjagen’ (ne. catch ‘vangen’).
Het kaatsspel heeft zijn oorsprong in het 12e-eeuwse Picardië, maar daadwerkelijke attestaties van een spelnaam waarop kaatsen terug kan gaan ontbreken. Van 1250 tot 1650 was het onder de naam jeu de (la) paume, letterlijk ‘handpalmspel’, een populair spel onder de Franse vorsten. In de 15e eeuw werd het ook in de Lage Landen zeer populair, getuige de vele vermeldingen in ambtelijke documenten. In 1431 werd er zelfs al een Nederlandtalig boek over geschreven. Nu wordt het kaatsspel vooral nog in het noorden van Nederland gespeeld, met name in Friesland.
De algemene betekenis ‘(doen) stuiten, terugstuiten’ is jonger en uit de oorspronkelijke afgeleid, of overgenomen van → ketsen, dat ook teruggaat op Noord-Frans cachier.
weerkaatsen ww. ‘terugstoten, reflecteren’. Vnnl. de bal weerkaatsen [1701; WNT Aanv.], maar vooral ook weerkaatsen ‘reflecteren van licht’ [1661; WNT Aanv.] en geluid. Samenstelling met → weer 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kaatsen [balslaan, stuiten] {caetsen [kaatsen, balslaan] 1374-1394} < oudfrans chacier [jagen, kaatsen] (variant cachier), teruggaand op latijn captare [gretig grijpen naar, jacht maken op], intensivum van capere [pakken, grijpen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kaatsen ww., mnl. caetsen < pikard. cachier vgl. ofra. chacier (> nfra. chasser) < lat. *captiare ‘vangen’. — Uit het pikard. komt ook ne. catch ‘vangen’. — Zie ook: ketsen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kaatsen ww., mnl. caetsen. Uit pic. cachier = ofr. chacier (fr. chasser) “jagen”, ook “kaatsen” (< lat. *captiâre). Uit ’t Noordfr. ook eng. to catch “vangen”, terwijl to chase “jagen” uit het. Centraalfr. komt. Mnd. katzen “kaatsen” (nog dial. ndd.) uit het Mnl. Vgl. ketsen en voor de lange a plaats.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kaatsen ono.w., Mnl. caetsen, gelijk Eng. to catch, uit Pic. cachier, d.i. Fr. chasser, van Lat. *captiare, frequent. van capere = nemen (z. heffen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kaosele (ww.) kaatsen; Middelnederlands caetsen <1374-1394> < Frans chasser.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kaatsen (Picardisch cachier)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kaatsen ‘het kaatsspel spelen’ -> Schots † cache ‘het kaatsspel spelen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kaatsen balslaan 1374-1394 [MNW] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

147. Die kaatst moet den bal verwachten,

een zegswijze aan het kaatsen ontleend, met de beteekenis, ‘wie yemand wil aantasten, heeft te wachten, dat men hem zo weder bejegenen, en met gelyke munt betalen zal’; Tuinman I, 266. Vgl. verder Winschooten, 273; Huygens II, 411: Kaetsen en ballen wachten (opschrift); Halma, 251: Die kaatst moet den bal wachten: die met een ander schertst, of een ander scheld wagt het selve; Ndl. Wdb. VII, 772. Ook in het Friesch: dy 't keatse wol, moat de ballen wachtsje; dy 't de bal utsmyt, moat ôfwachtsje ho 't er him werom kriget; en vandaar ook de zegswijze dou moast him de ballen mar goed werom slaen (gij moet hem de ballen maar flink terugslaan, zijne scherpe uitvallen, vragen of plagerijen met dezelfde munt betalen; zie W. Dijkstra, 288; vgl. fr. renvoyer la balle, een slagvaardig antwoord geven.Vgl. Halma, 334: Repousser ou renvoyer l'éteuf, den bal wederom kaatzen, spijtig bejegenen, met dezelfde munt betalen. Te vergelijken hiermede is Campen, 126: wie vechten wil, die moet den streeck verwachten (hd. der fechten will, der musz der Streiche warten); Spieghel, 280: die zeit dat hy wil, moet horen het wederspil; Bebel no. 231: qui velit ludere, debet apponere nummos; Campen, 17: weel kegelen wil, die moet opsetten; eng. they who play at bowls must expect to meet with rubbers.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut