Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kaas - (product uit gestremde melk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kaas zn. ‘product uit gestremde melk’
Mnl. kase [1240; Bern.], caes [1291; CG I, 1597].
Vroege ontlening aan Latijn cāseus ‘kaas’, van onzekere verdere herkomst.
Ook uit het Latijn, gedeeltelijk met i-umlaut van lange klinker: os. kāsi, kēsi (mnd. kese); ohd. chāsi, kāsi (nhd. Käse); nfri. ts(j)iis; oe. cēse, cȳse (ne. cheese). Ook in oostelijke Nederlandse teksten komt een vorm met umlaut voor: mnl. kese, vnnl. kees.
De ontlening ging wellicht gepaard met de overname van een nieuwe bereidingsmethode. Een oud Germaans woord voor ‘kaas’ is bewaard gebleven in de Noord-Germaanse talen, bijv. Zweeds ost, en door ontlening ook in het Fins; zie het met dat woord verwante → jus.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kaas [zuivelproduct] {case, kese 1201-1250} oudsaksisch kesi, oudhoogduits chasi, oudengels ciese < latijn caseus [idem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kaas znw. m., mnl. câse, kêse, os. kāsi, ohd. chāsi (nhd. käse), oe. cīese (ne. cheese) < lat. cāseus.

De umlautsvorm kees, die dial. zeer verbreid is, komt nog voor in de uitdrukking klaar is Kees. — De overname van het Latijnse woord voor kaas behoeft evenmin als dat bij boter het geval is, aan te tonen, dat de Germanen de kaasbereiding nog niet zouden hebben gekend; waarschijnlijk brachten de Romeinen een betere bereidingsmethode. — Het ngerm. kent een oud woord daarvoor *i̯ūsta-, vgl. on. ostr (vroege ontlening > fins juusto, eestn. jūst); dit woord hangt samen met lat. jūs ‘sap, soep’ (AEW 421), wellicht was het een soort kwark. — Een dialectkaart voor de verschillende vormen van kaas gaf L. Geenen, Taaltuin 6, 1937-8, 139-143 (met verklaring der vormen uit een prae-slavische articulatie-basis!) Maar zie vooral de kaart van Verstegen-Habermehl in Taalatlas afl. 3, 10.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kaas znw., in veel diall. met umlaut evenals laag I, gaaf II enz. (alg.-ndl. nog in klaar is Kees), mnl. câse, kêse m. o. = ohd. châsi m. (nhd. käse), os. kêsi, ags. cîese m. (eng. cheese) “kaas”. Uit lat. câseus. Evenals boter een alg.-wgerm. ontl. Het On. bezit een ander woord voor “kaas”: ostr m. *justa-). ’t Is twijfelachtig, of dit vroeger een algemeen-germ. benaming voor “kaas” is geweest. Dan zou wgerm. *kâsia- oorspr. een bepaalde soort van kaas hebben aangeduid; vgl. boter. Uit ’t Ngerm. finsch juusto “kaas”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kaas v., Mnl. case, gelijk Hgd. käse en Eng. cheese, uit Lat. caseum (-us), dat, gelijk boter, een inheemsch woord (On. ostr, Go. justs) is komen vervangen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kies (zn.) kaas; Vreugmiddelnederlands case <1240> < Latien caseus.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

groen bn., (ook:) onrijp. In het verleden maakte de Surinaamse huisvrouw zuurgoed* op azijn van groene papaja vruchten, die geschild, in stukjes werden gesneden (Heyde 1973b: 8). De bananen* naar smaak - groen of rijp - schillen (Dorff 14). - Etym.: Deze bet. is uit het AN vrijwel verdwenen, maar komt wel overeen met die van S groen, E green.
— : zie groene boomboa*, groene duim*.
— : groene kaas (de), Zwitserse kaas aan een stukje. Ik heb goed in mijn oren geknoopt dat een ruiker* hier [in Nederland] een bloemstuk heet, dat groene kaas Zwitserse kaas heet en soepgroente* peterselie (Surinaamse studente in Vrij Nederland 8-1-1972). - Etym.: Ook in AN wordt wel g. k. gezegd, maar die kan ook geraspt zijn. In Suriname kent men de term ’Zwitserse kaas’ niet.
— : groene kost (de), (veroud.?) verse levensmiddelen. Behalve het werk in het veld, kreeg ik ook nog de zorg voor de rantsoenuitdeeling aan het volk van ’groenen kost’, nl. bananen*, rijst, enz. (Bartelink 10). - Etym.: In verouderend AN kan ’groen’ m.b.t. voedsel ook ’vers’, d.w.z. niet gedroogd, gezouten o.i.d., betekenen, maar dan steeds in combinatie met een bepaald produkt, bijv. ’groene haring’.
— : zie groene petpet*, groene schildpad*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

Kaas: “Nederlander”, ook bek. as Kaaskop uit Kaasland, bek. om sy kaasproduksie (WAT s.v. kaas1).

kês: “gekookte dikmelk”; ’n dial. Ndl. vorm v. kaas (v. kees – by vRieb nog kees vir kaas, v. Kloe HGA, kaart op p. 82); v. ook wei I.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kaas: autochtone Nederlander of blanke in de ogen van Surinamers en Marokkanen. Een allochtoon die volgens sommige Marokkaanse jongeren te veel de normen en waarden van de Nederlandse samenleving overneemt, wordt misprijzend een kaasslaaf genoemd. Wellicht is hierbij gedacht aan slaaf van de kaaskop*. Zie ook kaashoer*. In de Franse grootsteden wordt een echte Fransman (met Franse stamboom) een fromage blanc genoemd.

De Marokkaanse jongeren zelf zien dit als aanleiding om zich te beklagen, maar het verenigt ze ook. Ze noemen zichzelf Mokro’s. Ze eigenen zich het politiejargon toe. Ze gebruiken Naffers (Noord-Afrikanen) als geuzennaam. Nederlanders zijn Kazen. (Elsevier, 23/06/2001)
‘De kaasjes zijn hier in de minderheid,’ zegt Hassan, leunend over zijn mountainbike. De zeventienjarige Marokkaan woont in Slotervaart-Overtoomse Veld, een Amsterdamse buurt waar Nederlanders massaal zijn vertrokken. ‘Jonge kaas zie je niet meer. Hier woont alleen nog oude kaas.’ (HP/De Tijd, 29/03/2002)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kaas (Latijn caseus)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kaas ‘zuivelproduct’ -> Frans dialect quieskin; kaiskin ‘soort kaas’; Gã kaesi ‘zuivelproduct’ (uit Nederlands of Portugees); Chinees-Maleis kas ‘zuivelproduct’; Negerhollands kaas, kās, kaes ‘zuivelproduct’; Berbice-Nederlands kasi ‘zuivelproduct’; Sranantongo kasi ‘zuivelproduct’; Aucaans kasi ‘zuivelproduct’; Saramakkaans kási ‘zuivelproduct’ ; Sarnami kási ‘zuivelproduct’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kaas zuivelproduct 1240 [Bern.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1049. Kaas hebben aan iemand,

d.w.z. maling hebben aan iemand, er lak aan hebben, er niet om geven. Kaas is iets overbodigs op geboterd brood? Vgl. Ndl. Wdb. VII, 733; Nkr. IX, 11 Sept. p. 7: Me kinderen hebben ook kaas an me..... nou ze getrouwd zijn hebben ze mijn nie meer nodig.(Aanv.) Vgl. hiermede no. 2222.

1046. Ergens kaas (of pap) van gegeten hebben,

d.w.z. ondervinding hebben van iets, tot de ingewijden behooren, in een bepaald opzicht geen onwetende zijn, dikwijls in ongunstigen zin, evenals het gron. 'k heb d'r kool (of kouk) van had, ik heb er de slechte gevolgen van ondervonden (Molema, 218 b; 536 b), dat te vergelijken is met hij heeft er van gesmuld, dat ironisch opgevat beteekent ‘dat hij eene ondervinding in zijn nadeel heeft opgedaan’ (Harreb. III, 61 b). In het fr. zegt men in dezen zin savoir ce qu'en vaut l'aune; vgl. ook j'ai soupé de votre fiole, ik ken jou wel, jij behoeft me niets wijs te maken. Zie Volkskunde XXII, 87; Harrebomeé, I, 372: Hij heeft er geen kaas van gegeten; Zondagsbl. van Het Volk, 1905, p. 92: Van stoeten opstellen heeft men in Holland geen kaas gegeten; Landl. 67: Die lieuwe te rake, daar hebben nog alle stroopers geen kaas van gegeten P.K. 47: Als ze zooveel talent had als inbeelding, zou ze er wel komen, maar om een stuk te helpen dragen, zie je! dáárvan heeft ze geen kaas gegeten; Nkr. VI, 8 Juni, p. 4: Zij grepen het artikel tachtig, bekeke; 't links en rechts aandachtig, maar hoe 't worden moest, helaas! nee, dáárvan aten zij geen kaas; Het Volk, 29 Jan. 1914, p. 1 k. 4: Helsdingen heeft van hooger onderwijs natuurlijk geen kaas gegeten; 25 April 1914, p. 6 k. 3: Buwalda is uiterst snel, maar van techniek en taktiek heeft hij toch nog heel weinig kaas gegeten; Nkr. IX, 19 Juni p. 7: Toen zijn we op een avond in z'n kantoor ingebroken en hebben d'r wat meegenomen, god, zo'n beetje, want de brandkast, daar hadden we geen kaas van gegeten; Het Volk, 15 Nov, 1915, p. 5 k. 4: Daar hebben u en ik geen kaas van gegeten; 3 Maart 1915, p. 5 k. 4: Gij at van politiek geen kaas, dat kon u weinig schelen; 25 Juni 1914, p. 2 k. 1: De kwestie was zoo nesterig en ingewikkeld, dat menig Kamerlid er absoluut geen kaas van gegeten had en zich toen maar hield aan den Minister; De Voorhoede, 9 Mei 1914, p. 1 k. 4: De kranten hier schrijven er zeer geleerd over, maar de ware kaas hebben we er toch nog niet van gegeten; Nkr. II, 2 Febr., p. 2; 19 Juli. p. 3; Ndl. Wdb. VII, 731. Syn. was Pak en mantel van iets hebben (zie Ndl. Wdb. XII, 165); Hij heeft er geen pap van gegeten (Harrebomee II, 171 a); zie Het Volk, 16 Sept. 1913, p. 5 k. 1:

Enfin, de kiezers vonden dat
Gij nog geen pap gegeten had
Van goeie wetten makerij;
Uw klubje viel, en gij er bij.

1047. Zich de kaas niet van het brood laten eten,

d.w.z. zich goed kunnen verdedigen, geen stumperd zijn, haar op de tanden nemen, zich het gras niet van onder de voeten laten maaien; zijn pottagie niet laten nemen, zooals vroeger ook gezegd werdNdl. Wdb. IX, 171.. Eig. luidt de uitdr. hi en sal hem sinen kase ende broot niet laten nemen, zooals bij Servilius, 191* staat en ook bij Winschooten, 242; Sart. III, 8, 96; Tuinman I, 54; Willem Leevend VIII, 233; Langendijk, Don Quichot, 34; Esopet, De ontdekte eenhoorn, 3 en Ndl. Wdb. III, 1542 te vinden is. Bij De Brune, 76 is sprake van kaas of brood, en in het ofr. kende men laisser manger son pain in den zin van se laisser maltraiterLe Roux de Lincy II, 210.. Zie ook Heinsius' Vermakelyken Avanturier I, 159: Wel wetende, dat Belindor geen vogel was, die sig syn kaas en brood (gelyk men segt) wanneer hy honger had, nemen liet. In het Mergh, 2de deel, 25, vinden we: hy sal hem zyn kasenbroot niet lae(ten?) nemen, waar kasenbroot de copulatieve verbinding is van kaas en brood, dat herinnert aan het mnl. casenbroot en den geslachtsnaam De Casembroot; evenzoo nog bij Potgieter 1, 4: (Onze voorouders) lieten zich hunne kaas en brood door die groote Heeren niet ontnemen. De zegswijze in den tegenwoordigen vorm vindt men bij Harreb. I, 97: Ik moet zien dat men mij de kaas niet van het brood afhale; Amst. 72: Jij laat de kaas ook niet van je brood eten; Jord. 263: Je kon hem de kemijne ook niet van z'n keggie afsnoepen; Nw. Amsterdammer, 17 April 1915, p. 3 k. 3: De tijden zijn voorbij, dat we ons de kaas van het brood lieten eten; Handelsblad, 30 Mei 1915 (ochtendbl.), p. 6 k. 5: Ze laten voortaan om den dood de kaas niet eten van hun brood; Nw. School, III, 193: Nou moesten ze bij hem aankomen met hart-voor-je leerlingen en met collegialiteit met je kaas-niet-van-je-brood-laten-eten. In Zuid-Nederland is de uitdr. ook bekend; zie Schuermans, 213 a; Tuerlinckx, 298: hij zal de kaas niet van zijn brood laten halen, waarvoor ook gezegd wordt: hij zal het vleesch van zijn brood niet laten halen (Schuermans, Bijv. 376 b; Rutten, 261 en Antw. Idiot. 304; 633); zijnen kaas laten pikken ('t Daghet XII, 159) naast zij laat het spek niet van haar bord halen; z'n laat 't vleesch van heur talloor nie langen (zie De Cock1, 169); zijn beetje niet laten pakken (Waasch Idiot. 782), waarvoor men volgens Eckart, 492 in Pommeren zegt: he lett sik nicht dat Spek ût 'n Kôl tên (ziehen). De Duitschers zeggen: sich (nicht) die Butter vom Brot nehmen lassen; in het Fransch is bekend: ôter à qqn son beurre; in het Friesch: hy lit him de tsiis net fen 't brea ite of hi lit him de sûker net fen de rys ite.

1048. De kaas snijden,

d.w.z. royaal doen, geuren, pronken, naast 'm snijden, er netjes uitzien. Zie Harreb. I, 372; Onze Volkstaal II, 120; Volkskunde XXII, 87; Woordenschat, 536: kaassnijer (mil.), een klein burgerlijke dandy; Antw. Idiot. 634: kaassnij(d)er, stoffer, pocher, windmaker; Schoolm. 240:

Ja, trotsche menschEen kaaskooper te paard., dit moet gij weten,
Gij, die de kaas snijdt op uw paard,
Gij kunt geen klein Edammertje eten
Of t' is u door de koe gebaard.

Vermoedelijk wil de uitdrukking zeggen: hij snijdt de kaas dik, met hompenVgl. de uitdr. hij snijdt de kaas met hompen, hij is een baas, een piet, een heel heer; Het Volk, 25 Nov. 1915, p. 1 k. 1: Ja, - de sociaal-democratische theorie is wèl verderfelijk gebleken voor de arbeidersklasse sinds Amsterdam twee rooie wethouders heeft! Want als deze twee ‘volksverrajers’ er niet waren, zouden de ‘arrebeiers’ in Amsterdam allang de kaas met hompen gesneden hebben.; daarna hij schept op (zie aldaar), doet zich mooi voor, is een branie. Zie Ndl. Wdb. VII, 733.(Aanv.) Vgl. in de 16de eeuw bij R. Visscher de kaas dick (te grof) snyen, pralen, geuren (V.d. Laan, R. Visscher II, 114).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut