Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kaar - (beun, dial. nog in de betekenis: bijenkorf)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kaar zn. ‘viskorf’
Mnl. car, alecorf ‘viskaar, viskorf, reservoir waarin vis in het water bewaard kan worden’ [1240; Bern.], meestal care of caer ‘viskorf’, zoals in van elken kaer mit visschen [1399; MNW], ook in samenstellingen als molencare ‘vat waar men het graan doorheen laat vallen in de molen’ en byhencare, ymcare ‘bijenkorf’ [1477; Teuth.].
De oorspr. vorm is het onzijdige mnl. car. De verlengde vrouwelijke stam care, waaruit na wegval van de toonloze -e caer (kaar), is ontstaan onder invloed van het meervoud care.
Os. kar (o.) in bīkar ‘bijenkorf’ (mnd. kar, kare); ohd. kar (o.) ‘vat, bak, ton’; on. ker ‘vat, beker, bak’ (nzw. kar); < pgm. *kaza-. Daarnaast zonder grammatische wisseling got. kas ‘vat, ton, kruik’ < pgm. *kasa-. De gemeenschappelijke en wrsch. oorspr. betekenis is dus ‘vak, bak etc.’.
Verdere herkomst onzeker, maar misschien verwant met → kast.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kaar1* [beun, dial. nog in de betekenis: bijenkorf] {caer [vaatwerk, korf (ook voor de vis)] (met verlengde vocaal uit het mv.) 1400} oudsaksisch, oudhoogduits kar, oudengels cere, oudnoors ker [beker, vat], gotisch kas, een uitsluitend germ. woord, herkomst onduidelijk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kaar znw. v. o., mnl. cāre, caer ‘korf, viskaar, bijenkorf’ (met vocaalverlenging uit het mv.), os. kar (in bī-kar ‘bijenkorf’), ohd. char ‘vat, schotel, bak, ton’, oe. bēo-cere (< *kazja) ‘bijenkorf’, on. ker (< *kaza) ‘vat, beker, bak’; met gramm. wiss. got. kas ‘vat, ton, kruik’.

Güntert, Festschr. Panzer 1930, 12 vermoedt een oud zwerfwoord, dat uit assyr. kāsu ‘schaal’, arab. kas, aram. kās, hebr. kōs ‘beker’ herkomstig zou zijn. De gramm. wisseling bevreemdt dan, maar zou bij vroege overname nog wel te verklaren zijn; maar waarom dan alleen maar in het germ.? — Misschien eerder een substraatwoord. — In de bet. ‘door glaciale erosie gevormde uitholling in een bergtop’ < nhd. kar, dat men als hetzelfde woord beschouwt (Kluge-Mitzka 350).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kaar znw. (vooral in vischkaar alg. bekend), mnl. cāre, caer o. v. m. “korf, vischkaar, bijenkorf”. Het enkelv. met ā is onder invloed van ’t oorspr. o. mv. cāre ontstaan (vgl. baar V). = ohd. char o. “vat, schotel, ton, bak”, os. kar o. (in de samenst. bî-kar “bijenkorf”), on. ker o. “vat, beker, bak”, met gramm. wechsel got. kas o. “vat, ton, kruik”. Misschien verwant met kast. De afl. uit het Sem. (arab. aram. kâs, hebr. kôs, assyr. kâsu “beker”) is onwsch.; de bet. en ook het (uit den gramm. Wechsel te concludeeren) wisselend accent zijn geen bezwaar, maar wel het feit, dat het woord alleen germ. is. De combinatie met lat. vâs “vat” is wegens de germ. k onaannemelijk.

vischkaar znw., reeds mnl. Zie kaar.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kaar. Het 2e lid van Ags. bêo-cere m. ‘apiarius’ is wsch. een ja-afl. Vgl. imker Suppl. — Zie ook nog bij kast Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kaar v., Mnl. caer, Os. kar + Ohd. kar, Ags. cere, On. ker (Zw. en De. kar), Go. kas, misschien verwant met kast.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

kaar, zn.: bak, korf, bijenkorf. Mnl. caer, care ‘korf’, Os. kar ‘korf’ ‘visfuik’ (Kiliaan). Ohd. char ‘vat, schotel, bak, ton’, Mhd. kar ‘schotel, vaatwerk, (bijen)korf’, Mnd. kar, kare ‘korf, vat’, On. ker ‘vat’. Met grammatische wisseling bij Got. kas ‘vat, ton, kruik’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

kaar, zn.: bijenkorf. Mnl. caer, care ‘bijenkorf’, Vnnl. karre ‘bijenkorf’ (Kiliaan). Os. bîkar, Ohd. kar, Mhd. kar ‘bijenkorf’, Oe. cere, On. ker ‘beker, vat’, Got. kas. Germ. *kaza-, kasa-.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

kaar I bak, bijenkorf (Limburg). = mnl. care ‘korf’ = os. kar ‘korf; vgl. ono. ker ‘vat’. Met grammatische wisseling ~ got. kas ‘vat’. Verdere samenhang onzeker.
WLD I afl. 4, 32, II afl. 6, 10, EW 185.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

karie (DB), zn. v.: kaar, viskaar, beun, fuik. Mnl. caer, care ‘korf, korf of ben voor het vangen of bewaren van vis’, Vroegnnl. karre ‘nassa (fuik)’ (Kiliaan). Ohd. char, Mhd. kar, Mnd. kar(e), Ndd. kar(e), Os. kar ‘korf’, Got. kas, On. ker ‘vat, beker’. Germ. *kazja-.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal