Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kaap - (landtong)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kaap zn. ‘in zee uitstekende landpunt’
Vnnl. cape ‘in zee vooruitspringende berg, kaap’ [1567; Nomenclator], kape ‘id.’ [1599; Kil.], een Caep ofte hoeck, daer hem t'landt heel ontviel nae 't zuyden ‘een kaap of landpunt, waar het land zich naar het zuiden geheel aan hun oog onttrok’ [1602; WNT].
Ontleend aan Frans cap ‘id.’ [ca. 1392; Rey], ontleend aan het Provençaals cap ‘id.’, een betekenis die ontwikkeld is uit ‘hoofd’ [950-1000; Rey]; cap is de voortzetting van vulgair Latijn *capu(m), uit klassiek Latijn caput ‘hoofd’ (genitief capitis), verwant met → hoofd.
Al eerder ontleend zijn: me. cape [1386; OED] (ne. cape) en mnd. kap, kape ‘kaap’ [15e eeuw; Pfeifer] (overgenomen als nhd. Kap [17e eeuw; Pfeifer], nzw. kap [1729; SAOB]).
Een kaap steekt als een kop uit in zee, vandaar deze figuurlijke betekenis van een woord dat ‘hoofd’ betekent. Vergelijkbaar is in het Nederlands het woord hoofd zelf, in samenstellingen als havenhoofd ‘strekdam aan weerszijden van de ingang van een zeehaven’, landhoofd ‘uitstekend stuk aangebrachte grond ter ondersteuning van een brug, viaduct e.d.’.
De Franse voortzetting van caput is → chef, en zie ook → biceps, → buiskool, → cadeau, → cadet, → capituleren, → kabeljauw, → kapitaal, → kapiteel, → kapiteinkapittel, → kapseizen, → kop 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kaap1 [landtong] {cape 1567} < frans cap [landtong] < italiaans capo [idem] < latijn caput [hoofd, kop, uiteinde].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kaap 1 znw. v. ‘voorgebergte’, sedert Kiliaen < fra. cap of < ital. capo < lat. caput ‘hoofd’. Uit het nnl. in de 15de eeuw in nnd. ontleend en vandaar in het nhd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kaap I (voorgebergte), sedert Kil. Uit fr. cap resp. it. capo, spa. cabo “kaap” (< lat. caput “hoofd”). Ook in andere talen ontleend. Mnl. cāpe “baken, vuurtoren” is een geheel ander woord, behoorend bij cāpen “kijken, turen” = mhd. kaffen “kijken, verwonderd kijken”, mnd. kāpen “id.”, dat met on. kôpa “staren”, ags. cêpan “uitkijken naar, verlangen, letten op, waarnemen” (eng. to keep) (= westf. kaipen, kaüpen “roeren om overkoken te verhinderen”?), ohd. chaphên “kijken” van een germ. basis kap-, kôp- “kijken” komt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kaap 1 v. (voorgebergte), gelijk Hgd. kap en Eng. cape, uit Fr. cap, van Lat. caput = hoofd (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kaap I: landpunt (bep. toep. by WAT s.v. kaap1 en Scho TWK/NR 7, 2, p. 3); Ndl. kaap (sedert Kil), soos Hd. kap en Eng. cape wsk. via Fr. cap en dit mntl. via Port. of Sp. cabo of It. capo uit Lat. caput, “hoof, kop”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kaap (Italiaans capo of Frans cap)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Kaap, voorgebergte, uit fra. cap, van het lat. caput = hoofd: vgl. ons havenhoofd, zeehoofd.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kaap, voorgebergte, van ’t Lat. caput == hoofd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kaap ‘landtong’ -> Duits Kap ‘voorgebergte; vooruitspringend gedeelte van een rotsenkust’; Deens kap ‘voorgebergte’ ; Noors kapp ‘landtong, voorgebergte’ (uit Nederlands of Duits); Zweeds kap ‘landtong’; Russisch kap ‘vooruitstekend land in zee’; Papiaments † kaap ‘landtong’.

Kaap, de ‘Kaap de Goede Hoop’ -> Makassaars ‘Kaap de Goede Hoop’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kaap landtong 1567 [Claes] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut