Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kaan - (stukje uitgebraden spek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kaan zn. ‘uitgebraden vet’
Mnl. wrsch. al in de persoonsnaam michael cade [13e eeuw; Debrabandere 2003], cade ‘kaan, het vetkorstje dat overblijft nadat de reuzel uit het spek is gesmolten’ in den ghonen, die caden ghesmolten hebben ‘degenen die kaan hebben gesmolten’ [1305-70; MNW], versmelten alse caden ‘doen smelten als kaantjes’ [1340-60; MNW-R], es dijn herte verbraden, wat selen di de caden? ‘als je hart verschroeid is, wat heb je dan aan de restjes?’ [1390-1400; MNW-R], incidenteel ook in het enkelvoud, zoals in mine beene sijn verdroghet als een cade ‘mijn benen zijn verdroogd als een kaantje’ [ca. 1410; MNW]; vnnl. met wegval van -d-: kaeyen [1573; Thes.], kaeye, kaede, kayen [1599; Kil.], als stofnaam in goede clare ... olye sonder ... leuer-smout, traen, kaen, baleyne ende ... ‘goede zuivere olie zonder levertraan, traan, kaan, walvisvet en ...’ [1576; WNT lever], een nieuw meervoud met verkleiningsuitgang in marmelade van kaeykens en honde-brood [1657; WNT].
Het woord is oorspr. een meervoudsvorm, ontstaan door syncope van intervocalische d uit vnnl. kaden bij het enkelvoud kade, mnl. cade, dat vooral in het meervoud voorkwam. Ook vormen met een overgangsklank (zoals bij rode > rooie) kwamen voor: vnnl. kaye(n) etc. Doordat de nieuwe vorm kaan niet meer als meervoud werd gevoeld, kon een nieuw meervoud gevormd worden, zoals ook gebeurd is bij bijv.schoen. Dit meervoud had meestal een verkleiningsuitgang en ook nu komt vooral kaantjes voor. Dialectisch komen nog wel oorspronkelijke enkelvouden voor, bijv. kaai, mv. kaaikes. Herkomst onbekend.
In het Germaans verder alleen mnd. kade ‘id.’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kaan1* [stukje uitgebraden spek] {cade 1305-1370, caeyen 1562, kanen 1807} de vorm kaan is ontstaan uit de meervoudsvorm caden, met uitstoting van d; etymologie onbekend, misschien verwant met kaam. Uit het mv. caden ontstond naast de vorm met uitstoting van d een vorm met de overgangsklank j: kaaien (vgl. dial. kaojen), waaruit een nieuw enk. werd gedistilleerd: kaai2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kaan 1 znw. v. ‘stukje gebraden vet’, sedert Kiliaen: kaen ‘walvisvet’ naast kaeye, kaede, kaeyen ‘stukje gebraden vet, kaantje’. Waarschijnlijk is kaan dus een mv.-vorm van kade, vgl. mnl. cade ‘korstje geroosterd vet’ (ook caen ‘walvisvet’), nnl. dial. kaai (Antw.), kooi (N. Brab.), (Kampen).

De herkomst van het nl. woord is onbekend. Opmerkelijk is mnd. kade ‘kaan, quod remanet in patella’, waardoor men verband met kaam zou kunnen vermoeden; maar in dit woord is geen d uitgevallen. Beide woorden zijn echter wel in contact met elkaar gekomen, vgl. Grootaers LB 21, 1929, 73-91. Volgens J. L. Pauwels, die samen met Grootaers een taalkaart voor de Zuidelijke Nederl. tekende, is kaan de meervoudsvorm van , daarnaast kaai met de mv.-vorm kajen. In Vlaanderen staan naast elkander de verkleinvormen kaantjes en kaaikes; in West-Vlaanderen is daardoor het oudere woord krakeling verdrongen. Een taalkaart voor dit woord, waarop ook het voorkomen van grieve, greven e.a. vormen is opgetekend, van W. G. Rensink, Taalatlas afl. 6, 10. — Het woord is door kolonisten ook naar de Mark in Brandenburg verplant, waar het in de oude vorm kade bewaard is (vgl. Teuchert Sprachreste 287).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kaan znw., sedert Kil., die kaen in de bet. “walvischvet” opgeeft naast kaeye, kaede, kaeyen “stukje gebraden vet, kaantje”. Wsch. is kaen met kaeyen identisch en oorspr. de meervoudsvorm van kaeye, kaede = mnl. câde (â, niet ā, blijkens N.Brab. kooi) v. “korstje gebraden vet”, dat nog bestaat als kade (kaai, ka), vooral dial., bijv. Kampensch , Antw. kaai (d.i. kôj), N.Brab. kooi. Vgl. schoen; ook dit luidt dial. (o.a. Kampensch) nog schoe. Kade = mnd. kâde “kaan, quod remanet in patella”. Zie verder bij kaam.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kaan (stukje gebraden vet). In Vlaams-België wint dit woord westwaarts terrein tegen krakeling ‘kaantje’, welke laatste benaming thans tot het uiterste W. beperkt is. De opvatting van kaan als meervoudsvorm van mnl. câde wordt door zuidndl. feiten bevestigd. Bijzonderheden, ook over contact van dit woord met kaan ‘vlies op bier’ (zie kaam en kaam Suppl.) bij Grootaers Leuv. Bijdr. 21, 73 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kaan 2 v. (uitgebraden vet), eigenlijk meervoud van ka, waarnevens ook ouder en dial. mv. kaeyen (hieruit een nieuw enk. kaai, dat tot kade werd): z. kaam.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

kaiing s.nw. Selde ook kaien.
Bruin, uitgebraaide stukkie vet of spek.
Wsk. uit Ndl. kaaien (1836 - 1838), dialektiese mv. van kaan 'vlesige oorblyfsel van 'n stukkie uitgebraaide vet'. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) in die vorm kaing.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1905).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kaan: (zeemanstaal) chef van de equipage. Vooral wanneer het een opschepper is.

Kaan, scheldnaam voor den chef van de equipage als deze opper-schipper is. Wordt natuurlijk alleen gebruikt als hij niet in de buurt is, zelfs niet als het gemeenzaam bedoeld is, tenzij de Kaan gevoel voor humor heeft. Maar gebruikt wordt deze uitdrukking wel en dikwijls. Was de chef van de equipage een torpedist, of is hij, zooals in de marinierskazerne, adjudant van de mariniers, dan is het: Klep. (Albert Chambron, Marinetermen, 1941)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kaan ‘stukje uitgebraden spek’ -> Duits dialect Kåde, Kåje, Köj'n, Kaoj'n ‘stukje uitgebraden spek, blaasvormige uitslag bij de mond’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kaan* stukje uitgebraden spek 1305-1370 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut