Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jutten - (strandrover)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

strandjutter zn. ‘strandrover’
Nnl. strandjutter ‘strandrover’ in Hoe vaak gebeurt het, ... dat er vaten, kisten of andere goederen, door strandjutters ... worden gevonden [1852; Verhandelingen ], toen de strandjutters ... een zware baal uit de golven sleepten [1861; iWNT], strandjut ‘id.’ [1856; Van Lennep], verder in strandloopers, zoogenoemde strandjutten [1868; iWNT].
Samengesteld uit → strand en jutter. Deze samenstelling is, evenals het werkwoord strandjutten [1861; WNT strand], afgeleid van strandjut ‘strandboef’, waarbij de negatieve benaming jut wrsch. gelijkgesteld mag worden met Jut ‘inwoner van Jutland (Denemarken)’. Strandjutten (ww.) en strandjutter werden ook verkort tot jutten in men maakte zich gereed, niet om te jutten, maar om hulp te bieden [1887; Texelsche Courant], en tot jutter in terwijl ook wel eens z. g. jutters het eilandje aandoen [1893; Goessche Courant]. Al deze woorden zijn afkomstig van de Waddeneilanden.
Jutten en Denen waren in de negentiende eeuw niet graag gezien en Jut en Deen werden dan ook als scheldwoord gebruikt. In het noorden van Nederland waren ook de inwoners van Noord-Friesland (dat tot 1864 bij Denemarken hoorde, maar nu bij Duitsland) bekend onder de naam Jutten.
Lit.: J. van Lennep (1856), Zeemans-woordeboek, Amsterdam, 218; Verhandelingen en berigten betrekkelijk het zeewezen en de zeevaartkunde, 12 (1852), Amsterdam, 574

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

jutten [stranddieverij plegen] {1901-1925} wel van Jut(lander) of misschien een bijvorm van jatten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

jutten ww. ‘stranddieverij plegen’, zal een afl. zijn van jut ‘stranddief’. De herkomst van het woord ligt in het duister. Men heeft gedacht aan de volksnaam der Jutten, die in de Middeleeuwen berucht ervoor waren, de aan hun Westkust gestrande schepen voor goede buit te verklaren. Maar dit blijft toch onzeker. Kan het een bijvorm van jatten zijn?

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

jutten stranddieverij plegen 1912 [Toll.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut