Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

junk - (drugsverslaafde)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

junk zn. ‘drugsverslaafde’
Nnl. eerst het collectief zn. junk ‘harddrugs’ in al deze soorten junk [1965; WNT Aanv.], dan junkie ‘drugsverslaafde’ [1971; WNT Aanv.], junk ‘id.’ [Reinsma 1984].
Het niet meer erg gangbare woord junk ‘harddrugs’ is ontleend aan Amerikaans-Engels junk ‘id.’ [1925; OED]. De afleiding hiervan, junkie ‘drugsverslaafde’ [1923; OED] is in het Nederlands ontleend als junkie en geïnterpreteerd als verkleinwoord, waardoor door terugvorming een nieuw zn. junk ontstond (zoals ook bijv. bij → gup(py))met een betekenis die in het Engels onbekend is. De hoofdbetekenis van Engels junk is ‘waardeloos materiaal, oude rommel’ [1842; OED], in het verleden specifieker ‘stuk oud touw of kabel voor hergebruik’, met een oudste attestatie jonk [1485; OED], van onduidelijke herkomst, misschien hetzelfde woord als de naam junk voor een geslacht van grasachtige planten ‘bies, rus’ (Latijn juncus, klassiek iuncus, zie → jenever), waarvan sommige soorten taaie stengels hebben waarvan men stukjes touw kon maken.
Bij uitbreiding wordt junk (zelden junkie) ‘verslaafde’ in het Nederlands ook veel gebruikt in algemenere context: eerst in combinatie met een zn., bijv. society-junk [1983; weekblad Haagse Post], snackjunk [1984; weekblad VPRO-gids], televisiejunk [1987; weekblad Haagse Post], vinyljunk ‘verzamelaar van oude gramofoonplaten’ [1987; dagblad de Volkskrant]; later ook met werkwoordstammen, bijv. krasjunk ‘verslaafde aan krasloten’, werkjunk ‘iemand die graag veel werkt’ [1994 resp. 1996; dagblad de Volkskrant].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

junk, junkie [verslaafde aan heroïne] {junkies 1968} < engels junkie, van junk [versleten touwwerk aan boord, onverteerbare scheepskost, rommel, heroïne], middelengels jonke, etymologie onbekend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

junk s.nw. (geselstaal)
Waardelose weggooigoed wat nog op die een of ander manier gebruik kan word.
Uit Eng. junk (1842).
Die herkoms van Eng. junk is onbekend, maar het in die seemanstaal 'n verouderde bet. 'ou, minderwaardige kabel of tou' waaruit die huidige bet. wsk. ontwikkel het.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

junkie s.nw.
1. Iemand wat aan dwelmmiddels, veral heroïen, verslaaf is. 2. Iemand wat 'n onblusbare geesdrif of belangstelling vir iets, bv. sport, het.
Uit Amer.Eng. sleng junkie (1923 in bet. 1).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

junkie (Engels junkie)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

junkie, junk ‘verslaafde aan drugs’ -> Sranantongo dyonki ‘verslaafde aan drugs’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

dienstweigeraar [iemand die weigert aan zijn militaire verplichtingen te voldoen] (1970). R.G. Broersma publiceert Recht voor z’n raap. Jargonboek voor hippe en andere vogels, met veel neologismen op het gebied van seks, drugs en rock-’n-roll, en politiek. Onder meer het woord dienstweigeraar is opgenomen, voor iemand die weigert aan zijn militaire verplichtingen te voldoen. Andere voorbeelden op het gebied van de politiek: actiecomité, actiegroep, actieprogram, activist, consumptiemaatschappij, cultuurpessimist, drop-out, flowerpower, langharig werkschuw tuig, love-in, omturnen, skinhead, vormingsleider, workshop. Op het gebied van seks: bondage, condoomautomaat, dildo, glijmiddel, groepsseks, partnerruil, pot (‘lesbienne’), prikpil, rampetampen, sadomasochisme, spiraaltje. Op het gebied van drugs: amfetamine, bewustzijnsverruimend middel, blowen, chinezen, clean, dealer, dopen, doping, drugs, druggebruiker, flippen, geestverruimende middelen, hasjroker, joint, junkie, lsd-trip, pot, psychedelica, weed. Muziektermen: alarmschijf, diskjockey, folk-rock, folksong, hitparade, piratenzender, popster, tieneridool.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

junkie, junk verslaafde aan drugs 1965 [Aanv WNT] <Engels

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

junk (← Eng. ‘rommel’), als computerterm: ongewenste data; gegevens zonder betekenis.

Junk: ROMMEL.) (Webster’s Computerlexicon, 1983; geen auteur)
Junk: Opeenhoping van informatie die meestal betrekking heeft op tijdens gegevensoverdracht ontvangen signalen. (Het geïllustreerde computerwoordenboek, 1984; geen auteur)

informeel: rommel, rotzooi.

In Nederland is het niets dan popprogramma’s en dat soort junk. (De Volkskrant, 24/08/85)
slang voor ‘heroïne’. Sinds eind jaren zeventig in ons taalgebied.
Hij versnijdt de junk en verkoopt het in Boston. (Arie Visser: Het vangen van de draak, 1983)
Hij bezweek aan een overdosis junk... (René Stoute: Jagers zijn wij, en ook prooi, 1987)
verkorting van junkie ‘drugsverslaafde’.
Junks zijn helden die hun macht in een ander leven misbruikt hebben en die daar nu voor boeten. (Hans Plomp: Open inrichting, 1985)

-junk, in samenstellingen: iemand die hardnekkig verslaafd is aan iets. De term raakte bij ons in de jaren zeventig ingeburgerd. Ook als junkie*, -junkie*.

Tjarda... mijn zoon, schoot het door hem heen. ‘Een videojunk.’ (Koos Meinderts en Harrie Jekkers: Tejo, 1983)
De vinyljunk kan weer op zoek naar een nieuw geluid. (Vinyl, april 1987)

-junkie, iemand die hardnekkig verslaafd is aan iets. Ook als -junk*.

Op de sportpagina’s komen de statistiekjunkies onder de liefhebbers aan hun trekken. (De Volkskrant, 05/10/85)
Ik was een echte televisie-junkie. Ik keek niet alleen naar Star Trek, ik keek naar alles. (Playboy, april 1987)
Ook nieuwsjunkies komen op het web ruim aan hun trekken. (Clickx, 10/10/96)
Op Terschelling begint het leven van krantenjunkies pas na één uur. (Nieuwe Revu, 26/11/97)
Dat chili-junkies steeds meer pepers verdragen, komt doordat bij grootverbruik de zintuigcellen minder gevoelig worden of zelfs afsterven. (Elsevier, 21/03/98)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut