Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jumper - (damestrui)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

jumper zn. ‘damestrui’
Nnl. jumper “gemakkelijk aan te schieten los van voren dicht te knoopen jak” [1919; Kramers II], in de volgende editie verbeterd tot “gemakkelijk (over het hoofd) aan te schieten jak zonder knoopen” [1926; Kramers II], een mooie wollen jumper ‘een trui van fijne wol’ [1932; WNT Aanv.], aanvankelijk ook nog wel een mannenkledingstuk: hij kleedt zich uit, werpt broek en jumper achteloos over een stoel [1934; WNT Aanv.].
Ontleend aan Engels jumper ‘trui(tje) voor dames en kinderen’ [1908; OED], eerder al ‘korte werkjas of kiel die over het hoofd wordt aangetrokken’ [1853; OED]. De herkomst hiervan is niet zeker, wrsch. is het afgeleid van Engels jump ‘door mannen gedragen kort jasje’ [1654; OED] of ‘(vrouwen)lijfje’ [1666; OED], een woord dat in de 19e eeuw is verdwenen en dat zelf is ontleend aan Oudfrans jupe ‘gewatteerd of geplisseerd jasje of lijfje’ [ca. 1188; Rey] (Nieuwfrans jupe ‘rok’), ontleend aan middeleeuws Latijn of Ouditaliaans giuppa ‘jak, wambuis’, zie → jopper.
Het woord wordt onder invloed van de spelling uitgesproken met een Nederlandse j-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

jumper [damestrui] {1926-1950} < engels jumper, eind 19e-eeuws, van verouderd jump [korte mantel], van jup < frans jupe (vgl. japon).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

jumper znw. m. ‘damestrui’, sedert eind 19de eeuw < ne. jumper ‘sportief gebreide trui’, vroeger ‘losse kiel voor grove arbeid’, waarschijnlijk een vervorming van fra. jupe.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

djomper (0), zn. m.: visserskiel. E. jumper ‘matrozenkiel’, afl. van ouder jump ‘korte mannenjas, vrouwenlijfje’, met epenthetische nasaal < jup < Fr. jupe < Zuid-It. jupa (It. giubba) < Ar. jubbah.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

jumper: bep. soort vroue- en kindertrui; Eng. jumper (vlgs. dVri J NEW sedert end 19e eeu ook Ndl. jumper), verb. m. Fr. jupe, “rok”, onseker; v. verder WAT.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

jumper (Engels jumper)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

jumper damestrui 1937 [WNT knallen] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal