Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

juk - (trek- of tilwerktuig om of op de hals; druk, last)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

juk zn. ‘trek- of tilwerktuig om of op de hals; druk, last’
Mnl. joc ‘juk, trefwerktuig voor dieren’ [1240; Bern.], ioch (met -ch onder Hoogduitse invloed) ‘zware druk, last of beproeving’ [1250; CG II, Trist.]. De huidige vorm met -u- verschijnt al sporadisch in het mnl. (juck [1286; CG I, 1115]), maar wordt pas frequent in de 17e eeuw. In het woordenboek van Kiliaan [1599] staan alleen nog de vormen jock, joch, jogh; nnl. juk heeft ook de betekenis ‘draagwerktuig voor mensen (om emmers of manden te dragen)’ [1726; WNT].
Os. juk (mnd. juk, jok); ohd. joh (nhd. Joch); nfri. jok, jûk; oe. geoc (me. yock, ne. yoke); on. ok (nzw. ok); got. juk; < pgm. *juka-.
Verwant met: Latijn iugum (Frans joug, Catalaans jou); Grieks zugón; Sanskrit yugá-; Litouws jungas; Oudkerkslavisch igo (Russisch ígo, Tsjechisch jho); Welsh iau; Hittitisch yukan, yugan; alle met de betekenis ‘trekwerktuig voor dieren’; < pie. *ieug- (IEW 508). Hierbij ook de werkwoorden Latijn iungere ‘verbinden’ (zie ook → adjunct en → joint); Sanskrit yunákti ‘id.’ (zie ook → yoga); Litouws jùngti ‘id.’.
Oorspr. is een juk alleen voor trekdieren bedoeld; voor de verwante Indo-Europese woorden geldt dat nog steeds. In het Nederlands is de betekenis uitgebreid naar ‘draagwerktuig voor mensen’. Het woord werd bovendien al vroeg ook gebruikt in de overdrachtelijke betekenis ‘last, druk’, die o.a. veelvuldig in de bijbel voorkomt.
De -o- in het Middelnederlands is de regelmatige voortzetting van Proto-Germaans -u- in gesloten lettergreep. Als er sprake was van i-umlaut, verscheen in vele woorden met deze klank later niet -o- maar -u-, bijv. druppen uit pgm. *druppjan-, naast drop uit pgm. *drupa-. In juk ontbreekt de umlautsfactor; dat toch een vorm met u opkwam, die uiteindelijk de vorm jock verdrong, wordt veelal toegeschreven aan de palataliserende werking van de j- in de anlaut (Schönfeld 1970, par. 79).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

juk* [trektuig voor dieren] {joc, juc 1201-1250} oudsaksisch juk, joh, oudhoogduits juh, oudengels geoc (engels yoke), oudnoors ok, gotisch juk; buiten het germ. latijn iugum, grieks zugon, welsh ian, bretons yev, oudkerkslavisch igo, oudindisch yuga-, van latijn iungere, grieks zeugnumi [ik bind]. De uitdrukking onder het juk doorgaan is ontleend aan de Romeinse geschiedenis. Overwonnen legers werden gedwongen onder het juk, gevormd door drie speren, door te kruipen om hen te vernederen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

juk znw. o., mnl. joc (2de nv. jokes, later jockes) en juc, os. juk-, ohd. joh, juh (nhd. joch), oe. geoc (ne. yoke), on. ok, got. juk. — lat. jugum, gr. zugón, oi. yugam, osl. igo, lit. jùngas, oiers cuing (< *com-jungos), arm. luc ‘juk’, bij de verbaalwt. *i̯eug vgl. lat. jungo ‘verbinden’, gr. zeúgnumi, oi. yunákti ‘aanspannen, verbinden’, lit. jùngiu, jùngti ‘verbinden, aanspannen’ (IEW 509).

Uit germ. *juka zou men nl. jok verwachten. Mogelijk is de u toe te schrijven aan de voorafgaande j (vgl. ook juffrouw), zoals W. de Vries Ts. 34, 1915-6, 221 aanneemt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

juk znw. o., mnl. joc (gen. jōkes, ook al jockes), juc o. Met u (o) uit germ. u zonder volgenden umlautsfactor. =ohd. joh, juh (hh; nhd. joch), os. juk- (in samenst.), ags. geoc (eng. yoke), on. ok, got. juk o. “juk”. Germ. *juka- uit idg. *jugo-; evenzoo gall. Ver-jugo-dumnus, okymr. iou ”juk” (of uit ’t Lat.? Of nier. ughaim “paardetuig”, blijkbaar met û, verwant is, is onzeker), lat. jugum, gr. zugón, obg. igo (*jĩgo > *jŭgo-(s-)), (arm. luc?), oi. yugâ- “juk”. Met n-infix (wsch. jong, naar het -ww. júnkti) lit. júngas “juk”; misschien ook ier. cuing (*kom-juŋg-) “id.”. Met ablaut on. eykr m. “trekdier, paard” en mhd. jiuch o. v. “morgen land” (oorspr. “zooveel land als men op een dag met een span ossen kan ploegen”), lat. jûgerum “id.”, gr. zeũgos “juk, span trekdieren”. Alle bij den verbaalstam jug-, waarvan lat. jungo “ik verbind”, gr. zeúgnūmi “id., ik span aan”, lit. jûngiu, jûnkti “aan het juk spannen”, oi. yunákti “hij verbindt, spant aan”. Jug- komt van een korter ju-: vgl. oi. yâuti, yuvati “hij verbindt, spant aan, mengt”, lett. jûtis “gewricht”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

juk. De u (ö) < o is aannemelijk verklaard door W.de Vries Tschr. 34, 221 uit invloed van de voorafgaande j. Vgl. juffrouw Suppl. Een zeer oude ontl. uit het Germ. is fi. juko ‘juk’, naast jukko, dat misschien op een jonger stadium van germ. consonantisme wijst. Vgl. Karsten GRM. 16, 371; APhSc. 1, 277. In pl.v. oi. yuvati lees: yuvâti.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

juk o., Mnl. juc en joc, Os. juk + Ohd. juh (Mhd. en Nhd. joch), Ags. geoc (Eng. yoke), On. ok (Zw. id., De. aag), Go. juk + Skr. yugam, Gr. zugón, Lat. jugum, Oier. cuing, We.. iau, Osl. igo, Lit. jùngas, van Idg. wrt. i̯eu̯g = verbinden, Lat. jungere (z. juist). Voor een juk lands, d.i. zooveel gronds als men met een juk ossen in één dag omploegt, vergel. Ohd. juhhart (Nhd. jauchert) = juk lands, en Lat. jugerum = bunder, van jugum = juk.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1juk s.nw.
1. Iets wat iemand as 'n las, kwelling of beproewing ervaar. 2. Toestel wat op die skowwe van osse vasgemaak word om hulle twee-twee langs mekaar in te span.
Uit Ndl. juk (1836 - 1838 in bet. 1, 1856 - 1859 in bet. 2).
Eng. yoke.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Juk van den Germ. wt. juk, Idg. yug = aanbinden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

juk ‘trektuig voor dieren; schraag in de vorm van een juk’ -> Deens juk ‘dwarsgeplaatste roerpen waar lijnen aan bevestigd worden; dwarsstaande planken voor ondersteuning van stellage onder schip’ (uit Nederlands of Engels); Frans jucher ‘hoog (op een rek) zitten’ Frankisch; Pools juki ‘trektuig voor dieren’ (uit Nederlands of Duits); Zoeloe joka ‘trektuig voor dieren’ (uit Nederlands of Engels); Shona joko ‘trektuig voor dieren’ ;? Atjehnees yō' ‘juk bij ploegen en vrachtkarren (dat het ploeg- of trekdier op de nek krijgt)’; Negerhollands jok ‘trektuig voor dieren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

juk* trektuig voor dieren 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1035. Onder het juk doorgaan

Deze uitdrukking is ontleend aan de Romeinen, die als bewijs van diepe vernedering een overwonnen leger lieten doorgaan onder een lage poort, gevormd door twee rechtstandig in den grond gestoken speren, die door een derde verbonden waren (denk aan den slag bij Caudium); vgl. lat. mittere sub jugum; sub jugo mittere of emittere; fr. faire passer sous les Fourches Caudines, iemand vernederen.

Als beeld van dienstbaarheid en verdrukking, alsook van een last, wordt juk gebezigd in uitdrukkingen als onder het juk brengen, het juk afrukken, afschudden (of verbreken), een ijzeren juk op iemands hals leggen, hem aan zware verdrukking onderwerpen; een hard (of zacht) juk. Al deze uitdrukkingen zijn ontleend aan den BijbelVgl. Gen. XXVII, 40; Jer. II, 20; Deut. XXVIII, 48; Jer. XXVIII, 14; Sirach LI, 34 (26); Matth. XI, 29, 30; Bijb. Wdb. II, 290 b.; vgl. Mnl. Wdb. III, 1054; Harreb. I, 368; Ndl. Wdb. VII, 528 vlg.; hd. das Joch abschütteln; einen unters Joch bringen; einem ein Joch auflegen; fr. imposer un joug à qqn; secouer le joug; eng. to shake off the yoke; to bring a.p. under the joke; to impose a yoke on a.p.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut