Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

juichen - (luid vreugde uiten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

juichen ww. ‘luid vreugde uiten’
Mnl. met andere klinker in se joochten, se riepen: cruusten, cruusten! ‘ze schreeuwden en riepen: kruisigt hem’ [1450-1500; WNT]; vnnl. soo iuychten die Philisteen tot hem toe ‘toen juichten de Filistijnen hem toe’ [1526; WNT toejuichen], Hemel ende Aerde ... sullen iuychen ouer Babel ‘hemel en aarde zullen juichen over (het lot van) Babel’ [1562; WNT verstoorder], met iuychen en met schreewen [ca. 1570; WNT]. Ook vormen met -t-, maar uitsluitend in de woordenboeken: vnnl. juyten [1573; Thes.], juyghten, juychten, juyten [1599; Kil.].
De 16e-eeuwse attestaties komen uit oude vertalingen van de Lutherbijbel, te weten de bijbel van Deux Aes en de Liesveldtbijbel. In het Duitse origineel wordt op die plaatsen steeds het werkwoord jauchzen ‘jubelen, juichen’ gebruikt. Bewuste ontlening door de Nederlandse bijbelvertalers lijkt niet aannemelijk: voor Hoogduits jauchzen zal niet zonder enige reden juichen als Nederlands equivalent worden bedacht. Het woord moet dus al eerder hebben bestaan; Nederlands ui en Duits au gaan bovendien beide terug op Proto-Germaans ū, en de twee woorden kunnen dan ook een gemeenschappelijke oorsprong hebben. Het Duitse woord gaat terug op Middelhoogduits jūchezen, een afleiding van het tussenwerpsel jūch, een uitroep van vreugde, zie → jubelen, het Nederlandse woord kan ook zijn afgeleid van een tussenwerpsel *jūch (*juich) of het kan in de Middelhoogduitse periode zijn ontleend; wegens gebrek aan schriftelijke vindplaatsen kan vooralsnog geen van beide mogelijkheden worden uitgesloten. Dat het Nederlandse werkwoord juichen luidt (-ten alleen in de woordenboeken), kan het gevolg zijn van herinterpretatie van de verleden tijd en het verleden deelwoord: juicht-te werd geïnterpreteerd als juich-te.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

juichen* [uiting geven aan vreugde] {joychen, juichen [roepen, schreeuwen] 1285} een klanknabootsende vorming.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

juichen ww., mnl. juichen, juichten ‘roepen, schreeuwen’, mnd. juchen ‘juichen’ en mhd. juchezen (nhd. jauchzen). Misschien uit het duits door huursoldaten naar hier gebracht. Overigens een van die klankwoord en als joelen, jolen, jouwen en juilen.

W. de Vries Ts. 34, 1915-6, 219 acht het niet nodig het woord als ontlening te beschouwen. Er zijn ook verschillende nl. nevenvormen zoals in saksische dialecten juchteren ‘draven, tieren, stoeien’ naast joechteren ‘uitgelaten vrolijk zijn’. Daarbij zijn woorden te voegen als mnl. joyten ‘lawaai maken’, nnl. juiten, juiteren ‘juichen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

juichen ww., mnl. (Mnl. Handwdb.) juichen, juichten “roepen, schreeuwen”. = mnd. jûchen (nhd. juchen) “juichen” resp. mhd. jûchezen (nhd. jauchzen) “id.”. Een afl. van de interj. mhd. jûch. Vgl. jouwen, joelen, jolen en mnl. joyten “juichen”. Het woord juichen is wsch. door du. huursoldaten bij ons geïmporteerd.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

juichen. Noord-oostelijke dialectwoorden als juchteren, joechteren met bett. als ‘luidruchtig, wild zijn, jakkeren’ mag men niet met W.de Vries Tschr. 34, 219 vlgg. als afll. van een ww. *joechten ‘juichen’ beschouwen en daaruit tot hoge ouderdom van juich(t)en op ndl. taalgebied besluiten. Over deze dialectwoorden, waarbij de bet. ‘jakkeren, wild zijn’ duidelijk primair is, zie bij jakkeren Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

juichen ono.w., van het tuss. juuch, joech: onomat.; in ’t Hgd. bestaat het intens. jauchzen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

juichen* uiting geven aan vreugde 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut