Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jubileum - (viering van een gebeurtenis na een rond aantal jaren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

jubileum zn. ‘viering van een gebeurtenis na een rond aantal jaren’
Mnl. jubileus ‘(bijbels) jubeljaar’ in want het es jubileus ende tfijfticste jaer [1460-62; MNW-P]; vnnl. in synen Jubileo (verbogen vorm) ‘in zijn (het pauselijke) jubeljaar’ [1581; WNT]; de wereldlijke betekenis pas in vnnl. jubileum, of gulde bruiloft [1657; WNT bruiloft]; nnl. ook over een ander aantal jaren dan 50: jubileum “jubelfeest, jubeljaar (na 100, 50 of 25 jaar)” [1824; Weiland].
Ontleend aan christelijk Latijn iubilaeus ‘jubeljaar’, vaak in de verbinding annus iubilaeus, annus jubilaei ‘jubeljaar’, waarin iubilaeus, via Middelgrieks iōbēlaíos, een weergave is van Hebreeuws jōvēl ‘ramshoorn(geschal); jubeljaar’: het joodse jubeljaar werd met hoorngeschal aangekondigd. De Latijnse vorm iubilaeus voor Middelgrieks iōbēl-, in plaats van regelmatig iobelaeus (in de Vulgaat staat inderdaad nog iobeleus), is beïnvloed door het Latijnse ww. iūbilāre ‘vreugdekreten slaken’, zie → jubelen.
Bij de Joden werd na zeven maal zeven jaar, dus in het vijftigste jaar, een jubeljaar gevierd; het land bleef dan braak liggen, schulden werden kwijtgescholden, enz. (Leviticus 25:8-66). Sinds 1300 wordt ook in de katholieke kerk een jubilaeus, in het Nederlands ook wel jubilé (uit het Frans) of jubeljaar genoemd, gevierd met daaraan verbonden een jubileumaflaat, aanvankelijk om de 100 jaar, later in beginsel om de 25 jaar. Het Nederlandse woord jubileum gaat in wereldlijke context vrijwel altijd vergezeld van een al dan niet symbolische aanduiding van een aantal jaren: 25-jarig jubileum, zilveren jubileum etc. In andere West-Europese talen betekent het woord dat met jubileum overeenkomt, naast het katholieke ‘jubeljaar’, uitsluitend ‘vijftigjarig jubileum’, bijv. Italiaans giubileo, Spaans jubileo, Frans jubilé (ook wel in het BN, maar niet algemeen).
jubileren ww. ‘een jubileum vieren’. Nnl. jubileren “een jubelfeest vieren” [1824; Weiland], “zijne 50- of 25jarige ambtsbediening of echtvereeniging vieren, gouden of zilveren bruiloft houden” [1847; Kramers]. Ouder is jubileren, jubeleren al in de (Latijnse) betekenis ‘juichen, jubelen’, zie → jubelen, in de 19e eeuw werd die verdrongen door de van jubilium afgeleide betekenis. Ook Duits jubilieren ‘een jubileum vieren’ [1800-03; Grimm], naast ‘jubelen’.
Lit.: KathWB; Mesotten 1996, 181-185

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

jubileum [herdenkingsdag van bekleding van ambt] {1726} < modern latijn jubileum, van latijn iubilaeus (annus) [jubeljaar] > frans jubilé; de vormen latijn iubilaeus, iubilēus < grieks iōbèlaios [m.b.t. een jubeljaar], van iōbèlos [jubeljaar] < hebreeuws jōbhēl [ram, ramshoorn, verheugenis, jubeljaar]; elk 50e jaar werd met de ramshoorn het jubeljaar (Leviticus 25:9-10) op Grote Verzoendag ingeluid. In het lat. trad vermenging op met iubilare (vgl. jubelen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zjubilei (zn.) jubileum; Nuinederlands jubileum <1657> < Frans jubilaeus.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

jubile’um (het, jubilea), (ook:) het bereiken van een leeftijd van een rond aantal jaren. Het is de moeite waard om een verjaarsfeest in Paramaribo mee te maken, vooral wanneer het een jubileum betreft (50 jaar oud b.v.) (Legêne 16). - Etym.: AN j. kan betr. hebben op verscheidene hoedanigheden, i.h.b. een maatschappelijke functie, waarin men een rond aantal jaren heeft doorgebracht, echter niet op een leeftijd. – Zie ook: jubilaris*, getal*, bigi jari*.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

jubileum (modern Latijn iubileum)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

jubileum ‘herdenkingsdag van bekleding van ambt’ -> Indonesisch jubiléum, yubiléum, yubilium ‘herdenkingsdag van bekleding van ambt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

jubileum herdenkingsdag van bekleding van ambt 1726 [WNT bruiloft] <modern Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut