Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jota - (kleine letter, kleinigheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

jota zn. ‘kleine letter, kleinigheid’
Mnl. tote dien male dat overliden sal hemel ende erde, en sal ene jota ochte een apex niet vergaen vander wet, tote dien male dat alle dinc ghescien ‘tot het moment dat hemel en aarde zullen voorbijgaan, zal er geen lettertje, geen streepje van de wet vergaan, totdat alles gebeurd zal zijn’ [1380-1400; MNW-P]; vnnl. het minste jota ‘het minste of geringste’ [1580; WNT], niet een jota ‘niets’ [1595; WNT], niet een jota, noch een tittel ‘niets’ [1637; Statenbijbel]; nnl. hij kent er geen jota meer van [1914; van Dale], ik geloof er geen jota van [1972; WNT verzekerd II].
Afkomstig uit de bijbel (Mattheus 5:18, zie het eerste citaat en dat uit 1637), overgenomen uit het Nieuwe Testament, waar in de Vulgaat op deze plaats iota staat < Grieks iōta, de naam van de kleinste letter van het Griekse alfabet, als metafoor voor ‘kleinigheid’; ook in de Vulgaat: iota. Ook in het Hebreeuwse schrift heeft de corresponderende letter, de jōð, slechts de vorm van een klein haakje. Zie ook → tittel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

jota [Griekse letter] {1580} < grieks iōta < fenicisch-hebreeuws jōdh [eig.: arm] (vgl. joet). De uitdrukking geen jota [niets] {1637} komt van het feit dat de iota en de jōdh slechts gevormd worden door een streepje, zodat de uitdrukking betekent ‘zelfs geen streepje’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

jota: (veral in uitdr.) geenof tittel nie, “hoegenaamd niks”; Gr. naam (dan gew. iota) vir die kleinste letter i. d. Gr. alfabet; so ook in Ndl. (WAT s.v. jota1).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

jota (Grieks iōta)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

jota Griekse letter 1580 [WNT] <Grieks

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2265. Geen tittel of jota,

l. fr. pas un iota.

d.w.z. hoegenaamd niets, oezel noch snee, zooals de Westvlamingen zeggen, spaan noch krul (in Jord. 355). Deze uitdrukking is ontleend aan Matth. V, vs. 18 of Luc. XVI, vs. 17. ‘De jod is de kleinste Hebreeuwsche letter, terwijl men onder een tittel (eng. tittle) te verstaan heeft die kleine puntjes of haaltjes, waardoor sommige Hebreeuwsche medeklinkers van elkander onderscheiden zijn, b.v. de sjin en de sin’; Zeeman, 460; Sewel, 783: Hy weet 'er geen tittel van, he knows nothing of it; Halma, 639: Daar is niet een tittel van gemeld, daar is niet een zier van gerept; C. Wildsch. III, 158: Geen letter noch jota; Harreb. I, 367 a; fr. pas un jota; hd. kein Tüttelchen (oder Titelchen); kein Jota; eng. not a jot; no jot or tittle.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut