Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jood - (Israëliet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

Jood zn. ‘Israëliet’
Mnl. jode, juede, in die felle ijoeden die noch blame an hem en spaerden noch torment ‘de wrede Joden die hem schande noch lijden bespaarden’ [1265-70; CG II, Lut.K], in dat land van babilone was menech iuede worden rike ‘in het land van Babylon was menig Jood rijk geworden’ [1285; CG II, Rijmb.], jood [ca. 1440; MNW bedriven].
Oude ontlening aan Latijn iudaeus ‘Jood; Joods’, dat via Grieks ioudaĩos is ontleend aan Aramees yəhūdāi, corresponderend met Hebreeuws jəhūðī en afgeleid van de bijbelse persoonsnaam jəhūðāh ‘Juda’ van een de zonen van Jakob en Lea (Genesis 29:35). Korte u en o kwamen in het Oudnederlands als gelijkwaardige varianten naast elkaar voor; door West-Germaanse rekking in open lettergreep ontstond hieruit ō, in kustdialecten eu.
Eveneens ontleend zijn: os. judeo, jutheo en ohd. judo, judeo (nhd. Jude); ofri. juda, jotha (nfri. joad); oe. jude(o)w (maar ne. jew < Oudfrans giu).
Van de twaalf bijbelse stammen speelde die van Juda in de geschiedenis van Israël de belangrijkste rol. Na de dood van Salomo en de tweedeling van het koninkrijk Israël gaf deze stam zijn naam aan het koninkrijk Juda, met als inwoners de Judeeërs. Na de verovering van het andere deel van het rijk door de Assyriërs in 722 v. Chr. bleven van het oorspr. volk der Israëlieten alleen de Judeeërs over, in elk geval hun volksnaam.
De beschulding aan de Joden dat zij Jezus verworpen en gekruisigd hebben, leidde vanaf de Middeleeuwen tot verdrukking en vervolging en maakt hun naam in veel contexten tot een spotnaam of scheldwoord. Omdat in Europa de Joden waren uitgesloten van het beoefenen van allerlei beroepen, waren velen van hen werkzaam in de geldhandel of als koopman, wat hun naam in pejoratieve context synoniem maakte met ‘woekeraar, afzetter’ of zelfs ‘bedrieger’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

jood [Israëliet] {jode, jeude in de persoonsnamen Jan de Jude, Willem die Jode 1270} < latijn Iudaeus [joods, jood] < grieks Ioudaios [jood] < hebreeuws jəehūdhī, een afleiding van jəhūdhā [Juda].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

jood znw. m., mnl. jōde, juede, jeude (ook in dial. nog vaak jeud), os. judeo, jutheo, ohd. judo, judeo (nhd. jude, dial. ook jüde), ofri. juda, jotha < lat. judaeus (met verspringing van klemtoon).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

jood znw., ook met ȫ gesproken (vooral dial.), mnl. jōde, jȫde m. = ohd. judo, judeo (nhd. jude, dial. ook met umlaut), os. judeo, jutheo, ofri. juda, jotha m. “Jood”. Met aanneming der germ. betoning, uit lat. Judaeus (laat-lat. ŭ u). Uit ’t Lat. ook ags. judéas mv. “Joden”, uit ’t Gr. got. Judaius “Jood”. On. jûði, zw. jude en de. jøde “id.” uit ’t Mnd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

jood m., Mnl. jode, Os. judeo, gelijk Ohd. judeo en judo (Mhd. en Nhd. jude), met opgeschoven klemtoon (z. aalrups), uit Lat. judaeum (-us), van Gr. ioudaĩos (I-) (Go. judaius), Hebr. jehudaj = iemand van den stam van jehudāh = Juda (eig. = beroemde).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

joed (zn.) jood; Vreugmiddelnederlands jode <1265-1270>.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

jood: 1) (soms erg pejoratief) afzetter, bedrieger, woekeraar; schraapzuchtig persoon. Joden die men in de negentiende eeuw van woekerpraktijken verdacht, werden woekerjoden genoemd. Uiterlijk, manieren, gewoonten en karakter liggen aan de basis van dit scheldwoord. Zelfs de uitspraak van het woord joden ligt tegenwoordig gevoelig. Zo lezen we bij Harry Mulish (De ontdekking van de hemel, 1992): ‘“Als jouw moeder joods was,” zei hij, “dan ben jij dus zelf ook een jood.” Meteen trof het hem onaangenaam dat woord “jood” uit zijn eigen mond te horen. Misschien mochten alleen joden het gebruiken, na alles wat er was gebeurd, misschien rustte er een taboe op …?’ Ook in andere talen wordt het woord beledigend gebruikt. Bijvoorbeeld bij Molière: ‘Quel juif, quel arabe est-ce là?’

Niet verwonderlijk dat eind vorige eeuw het politiek correcte Joodse mensen opdook.

’t Is een regte Jood, een schagcheraar, woekeraar in zyn hart. (Marin, 1717)
‘Ouwe Jood,’ schold Sybrandt, ‘mot je dat zien: hij is een arme Bedoeïn, maar hij ziet eruit als een ouwe Jood. Wat een smoelwerk, hè?’ (Simon Vestdijk, Het verboden bacchanaal, 1969)

2) Ajacied. Voor veel supporters is Ajax een specifieke jodenclub. In een Israëlische televisiereportage (in 1999 uitgezonden in het actualiteitenprogramma NOVA), opgenomen rondom Ajax-Fortuna, werd uitgebreid aandacht besteed aan Ajax-fans die blijk gaven van hun verbondenheid met het Israëlische volk. De meeste fans hebben geen Joodse achtergrond maar dragen een davidster als tatoeage of ze dragen vlaggen met het symbool. Veel Joden zijn er niet gelukkig mee. Wellicht is het imago ontstaan in de vooroorlogse periode, toen Ajax nog in een stadion op de Middenweg speelde, ter hoogte van het huidige Christiaan Huygensplein in de Watergraafsmeer. Supporters van bezoekende clubs die per trein kwamen, stapten doorgaans uit op het Weesperpoortstation, waar veel Joodse straatverkopers aanwezig waren. In de jaren zestig en zeventig, die voor Ajax erg succesvol waren, bliezen echte Joodse mensen zoals voorzitter Jaap van Praag, masseur Salo Muller en spelers Bennie Muller en Sjaak Swart het imago van jodenclub weer nieuw leven in. Sedert de jaren tachtig is jood een nieuwe carrière begonnen als provocatie. Maar zoals bij veel scheldwoorden het geval is, begon de uitgescholden partij het scheldwoord zelf te gebruiken, als geuzennnaam. Zie ook kankerjood*.

De supporters van Ajax, en vooral de beruchte F-side, hebben de scheldnaam ‘jodenclub’ inmiddels tot geuzennnaam verheven. (Eric Slot, Kleine Encyclopedie van de Wansmaak, 1992)
Een andere bron uit Amsterdam bevestigt via een autotelefoon dat ‘de joden’ inderdaad op die plek zijn gesignaleerd. (Nieuwe Revu, 26/02/1997)

3) onder gabbers (hip geklede en vaak kaalgeschoren jongeren die houden van gabberhouse) benaming voor iemand die ze verachten (vooral dan de vertegenwoordigers van de gevestigde orde).

Even later is de transactie rond onder toeziend oog van een politiewagen die de gabbers bijna permanent in de gaten houdt. ‘Joden’ worden ze door de gabbers genoemd. Net als iedereen die ze niet mogen. Amsterdammers zijn ‘joden’, campingbewakers zijn ‘joden’. (Nieuwe Revu, 07/08/1996)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

jood (Latijn Iudaeus)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

jood. De oudste en enige bewijsplaats die het WNT geeft van de bastaardvloek alle joden!; Wel alle joden! is afkomstig uit De Jordaan [1915] van I. Querido. Het is een uitroep van verbazing, ongeloof, frustratie enz. die waarschijnlijk nog de betekenis ‘verdraaid, verdomme’ heeft. Huizinga (1997: nr. 4667) kent nog alle joden in de tempel van Mozes! en zegt van die toevoeging dat het niets anders is dan een verfraaiing of aanvulling van een vermeend tekort. In Antwerpen komt voor god zal alle joden verdraaien links en rechts langs de baan! en in het Land van Aalst god zal alle joden verdommen! Deze harde vervloekingen drukken haat, woede, walging en minachting uit. De joden werden op grond van uiterlijk, manieren, gewoonten en karakter, en stellig ook omdat zij Jezus Christus ter dood brachten, voorwerp van spot en smaad, zegt het WNT. Een zeventigjarige correspondente uit Doetinchem geeft het volgende racistische verwensingsvers op, dat omstreeks 1939 in haar geboorteplaats Enschede voorkwam: judde, judde, judde, val met je kop in de kudde, val met je kop in de mosterdpot, alle judden bint (‘zijn’) kapot. Overbodig om hier op te merken dat judde een dialectische variant is van jood. god, koorts.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Jood van ’t Lat. judaeus, d.i. uit den stam van Juda.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

jood ‘israëliet’ -> Zweeds jude ‘israëliet’ (uit Nederlands of Nederduits); Shona yudha ‘israëliet’ ; Negerhollands joode, jodden, jood ‘israëliet’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

jood Israëliet 1270 [CG I] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

881. Aan de heidenen overgeleverd zijn.

Eene aan den Bijbel ontleende zegswijze, om aan te duiden, dat men in handen gevallen is van onmeedoogende, onbarmhartige menschen. Zie Matth. 20:19 en Luc. 18:32, waar Jezus aan Zijne discipelen o.a. verkondigt, dat hij aan de heidenen zal overgeleverd worden. Zie Zeeman, 276; C. Wildsch. V, 136: Voor wie gij zo bezorgd zijt even alsof het lief schaap aan de Heidenen stondt overgeleverd te worden; Amst. 76; en vgl. de synonieme uitdr. aan de Joden (of aan de Turken) overgeleverd zijn; Zeeman, 309; Harreb. II, 349 a; Nav. XXIV, 608.

1027. Aan de Joden overgeleverd,

d.i. in kwade handen gevallen. Volgens Laurillard en Zeeman is de zegswijze ontleend aan den Bijbel (vgl. Matth. XXVII:26 en Joh. XVIII:36). Zij komt voor bij Sartorius, I, 6, 1: Asinus inter simias, hy is den Joden gelevert; II, 10, 50: Objicere canibus agnos, den Joden leveren, qui pacatum et litium imperitum, calumniatoribus et exercitatis exponeret. Tuinman I, 10: Hy is den Joden overgelevert, dat wil zeggen, ‘aen de onbarmhertige mishandelaars, hoedaanige de Joden zyn: gelijk zy ook betoonden aan onzen Zaligmaker’; Harrebomée I, 365. Waarschijnlijk is de uitdr. niet aan den Bijbel ontleend, maar moet worden gedacht aan de slimheid en arglistigheid, die men in de Joden onderstelt; vgl. de varr. Aan de heidenen of de Turken overgeleverd; zie no. 881 en vgl. Ndl Wdb. VII, 417.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut