Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jongleur - (evenwichtskunstenaar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

jongleren ww. ‘behendigheidskunsten doen’
Nnl. hoe [hij] met de beide voorwerpen ging jongleeren alsof het een paar vederen balletjes waren [1884; Groene Amsterdammer].
Ontleend aan Frans jongler ‘behendigheidskunsten doen’, eerder al ‘goochelen’ [1690; TLF], nog eerder ‘grappen maken’ in het algemeen [1546; TLF], oudere vorm jogler ‘spelen, grappen maken’ [12e-13e eeuw; TLF], ontwikkeld uit Latijn ioculāri ‘id.’, afleiding van ioculus ‘grapje’, verkleinwoord van iocus ‘grap’, zie → jokken en ook → joker. De nasaal in jongler is ontstaan onder invloed van Middelfrans jangler ‘kletsen, plagen, kwaadspreken, opscheppen’, dat wrsch. is ontleend aan het Nederlands, zie → jengelen.
De betekenisvernauwing van het Franse werkwoord tot ‘behendigheidskunsten doen, i.h.b. door voorwerpen in de lucht te gooien en op te vangen’ volgt die van het hieronder genoemde zn.
jongleur zn. ‘iemand die jongleert’. Vnnl. jongheluer ‘grappenmaker, kunstenmaker, goochelaar’ [1566; WNT], jongleur ‘id.’ [1567; WNT tuimelen I], ook joegheleur [1590; WNT], iongleur, iougleur [1599; Kil.]; pas nnl. jongleur “iemand die bedreven is in alle gymnastische lichaamsbewegingen” [1877; Winkler Prins], ‘iemand die jongleert’ [1914; WNT], ook overdrachtelijk ‘kunstenmaker’: jongleur met klankenreeksen [1905; WNT koord]. Ontleend aan Frans jongleur ‘persoon die behendig voorwerpen in de lucht gooit en vangt’ [1549; TLF], een specifieke betekenis van algemener ‘kunstenmaker, grappenmaker’ [13e eeuw; TLF]; de oudste vormen eveneens zonder nasaal, bijv. Oudfrans juglere [1135; TLF], ontwikkeld uit Latijn ioculātor ‘grappenmaker’, afleiding van ioculus ‘grapje’, zie hierboven.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

jongleur [evenwichtskunstenaar] {1566} < frans jongleur [jongleur, goochelaar, minstreel] < latijn ioculator [grappenmaker; me. lat. nar, jongleur], van ioculare [schertsen(d zeggen)], van iocus [scherts, grap] (vgl. jeu2).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

jongleur znw. m. Kiliaen vermeldt het als vlaams. < fra. jongleur, ofra. jogleor ‘speelman’ < lat. joculator ‘grappenmaker’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

jongleur znw., sedert Kil., die ’t vla. noemt. Uit fr. jongleur (joculâtor). Ook in andere talen ontleend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

jongleur s.nw.
1. Rondreisende musikant uit die Middeleeue. 2. Goëlkunstenaar.
Uit Ndl. jongleur (al Mnl. in bet. 1).
Ndl. jongleur uit Fr. jongleur.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

jongleur evenwichtskunstenaar 1566 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut