Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jonassen - (iemand in horizontale houding heen en weer slingeren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

jonassen ww. (NN) ‘iemand in horizontale houding heen en weer slingeren’
Nnl. jonassen ‘(op een deken) op en neer gooien’ in toen men hem in de herberg jonaste [1863; WNT], ‘in een kleed of aan handen en voeten heen en weer slingeren’ [1897; Woordenschat].
Eponiem, afgeleid van de naam Jonas, de bijbelse profeet die in Jona 1:15 door de bemanning van het schip waarop hij voer in de zee werd geworpen om die tot bedaren te brengen. De -s in de naam Jonas is gebruikelijk in sommige oude bijbelvertalingen, waaronder de Statenvertaling, en heeft zijn oorsprong in de Griekse Septuagint en de Latijnse Vulgaat; in deze bijbelvertalingen werd achter Hebreeuwse namen op -a(h) systematisch een uitgang -s toegevoegd, een frequente nominatiefuitgang in het Indo-Europees.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

jonassen [iem. met zijn tweeën horizontaal vasthouden en heen en weer slingeren] {1669} naar Jonas (in de walvis) (vgl. Jona).

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1993), Eponiemenwoordenboek: Woorden die teruggaan op historische personen, Amsterdam

jonassen, iemand horizontaal vasthouden en omhooggooien
Volgens de bijbel kreeg de profeet Jona (in de Latijnse tekst Jonas) van God opdracht de zondige bewoners van Ninevé te waarschuwen dat hun stad binnen veertig dagen zou worden verwoest. Om zich aan deze opdracht te onttrekken vluchtte hij per schip in de tegenovergestelde richting. Toen daarop een enorme storm losbrak, trokken de zeelieden loten om te onderzoeken aan wie dit te wijten was. Het lot viel op Jona, die aanbood zich in zee te laten werpen. ‘En zij namen Jona op, en wierpen hem in de zee. Toen stond de zee stil van hare verbolgenheid’, aldus Jona 1:15.
Aan deze bijbelpassage is het werkwoord jonassen ontleend, dat het WNT omschrijft als ‘Iemand bij ’t hoofd en de voeten nemen, hem in een deken leggen, en hem vervolgens, herhaaldelijk, beurtelings omhoog wippen en weer opvangen; eene spelende mishandeling - b.v. van nieuwelingen - onder matrozen, soldaten, enz.; ook wordt, onder kinderen, het bij ’t hoofd en de voeten nemen en heen en weer slingeren van een kameraadje zoo genoemd.’
Volgens Ter Gouw (1870) noemden de Romeinse soldaten dit ‘jongensspel’, zoals het in verschillende bronnen wordt gekarakteriseerd, sagatio, naar het sagum of de soldatenmantel die erbij werd gebruikt. Onder Franse soldaten stond het bekend als Ie bernement, in het Antwerps sprak men van op-sinjoorken. In het Nederlands werd ook wel gezegd ‘jonas met iemand spelen’. Volgens Ter Gouw was het jonassen hier vooral populair op bruiloftspartijen. ‘Het lot om Jonas te zijn’, schrijft hij, ‘viel gemeenlijk aan een Stijven Steven, bij voorkeur aan een ouden vrijer ten deel.’
Bij het jonassen wordt het volgende versje gezongen:
Toen Jonas in de wallevis zat
Toen was hij verzopen en toch [of: nog] niet nat
Van je een, twee, drie!
In 1877 wees dominee C.F. Zeeman erop dat de volgorde in dit liedje niet juist is: Jona wordt eerst overboord geworpen en komt dan pas in de walvis terecht. ‘De walvisch’, schrijft hij in zijn woordenboek, ‘komt dan wel wat te vroeg, maar werd zeker om zijne merkwaardige grootte in den zang gebracht.’
De belevenissen van Jona hebben aanleiding gegeven tot een opmerkelijk groot aantal uitdrukkingen en zegswijzen, waaronder ‘Het is een rechte Jonas’, voor iemand die op reis altijd slecht weer treft; ‘Het lot valt (altijd) op Jonas’, d.i. een pechvogel heeft altijd ongeluk; ‘Hij speelt voor Jonas’, d.i. hij zit altijd te morren en te klagen; en ‘Zij maken hem Jonas’. In 1858 verklaart Harrebomée dit laatste spreekwoord als volgt: ‘Men zegt dit, wanneer iemand op eene plaats, waar hij niet behoort, lang vertoeft, en past het vooral toe op den drinkebroer in de herberg.’ In het Frans en Duits komt het woord jonassen niet voor. Het spelletje uiteraard wel. In het Engels heeft to jonah de betekenis ‘ongeluk brengen’.
Zie ook jonashaai
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

jonassen iem. met zijn tweeën horizontaal vasthouden en heen en weer slingeren 1669 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1034. Een Judas,

d.i. een verrader, een valschaard, een huichelaar (sedert de 16de eeuw; Ogier, 252); ook als algemeen scheldwoord gebruikt, ellendeling, plager, terger; eig. de discipel van Jezus, die hem verraderlijk aan de Joden overleverde; zie Matth. XXVI, 14-15 en vgl. Ndl. Wdb. VII, 473. Vandaar ook een Judastronie, een Judaskus (bij Servilius, 12*; De Brune, 21; Ndl. Wdb. VII, 476); een Judaskneep (bij Witsen, 168), een Judaslach, enz. Evenzoo in vele andere talen; zie Wander II, 1030-1031. Als algemeen scheldwoord vindt men het in Kalv. I, 73: Deze belagers, deze afgunstigen, deze judassen; Sjof. 217: Zoo'n inhalige Judas; Falkl. IV, 225: Judas, keukenhen, vrouwenbeul; Falkl. VI, 36: Zoo'n adder, zoo'n aterlingEig. jonge hond van het eerste nest; dier, waarvan men vreest dat de beet giftig is; daarna onverlaat, gemeene kerel; Ndl. Wdb. II, 738., zoo'n judas; Boefje, 114: Vuile Judas!; bl. 55: Die judasse van connucteurs; Teirl. 327; Claes, 100; Antw. Idiot. 604; 2235: judas, verklikker. Hiernaast een wkw. judassen, plagen, sarren; syn. van jonassen (vgl. Onze Volkstaal II, 337; Noord en Zuid V, 344); Nkr. II, 29 Maart, p. 2: Zij zit haar meesteres alsmaar te treiteren en te judassen; II, 28 Juni p. 3; Boefje, 112: Zóó, ben 'k nog maar 'n paar dage hier? - nou dan kan 'k je net nog lekker judasse; evenzoo bl. 143; 192; Ndl. Wdb. VII, 477; Molema, 187; Ganderheyden, 27 (gejudas); Antw. Idiot. 605 (ook aldaar judasserij; fr. judasserie); 2235: judassen, verklikken; eig. handelen als Judas; Claes, 100; Schuermans, Bijv. 141 (judasserij); Teirl. 328. Hiernaast een ww. bejudassen, verraderlijk aanvallen; Nkr. IX, 10 Juli p. 2: Verraders die hun kameraden van achteren met stinkgassen bejudassen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut