Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jolijt - (vreugde, plezier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

jolijt zn. ‘vreugde, plezier’
Mnl. iolijd ‘vreugde’ [1276-1300; CG II, Lut.A], die sterren ... lichten hem met jolite ‘de sterren beschenen hen vrolijk’ [1348; MNW-P] naast gelijkbetekenend jolijs in die mane ... die hem lichte met jolisen [1350; MNW-R]; vnnl. jolijd ‘id.’ [1599; Kil.].
Afleiding van Frans joli ‘vrolijk’ [13e eeuw; Rey] met een achtervoegsel -ijt dat onder invloed staat van het min of meer synonieme Middelnederlandse woord delijt ‘geestelijke verrukking’ [1265-70; CG II, Lut.K], ontleend aan Frans délit. Oudfrans joli, jolif had behalve ‘vrolijk’ allerlei andere betekenissen als ‘wulps’, ‘versierd’ en ‘dapper’; het is afgeleid van een ontlening aan Oudnoords jól ‘midwinterfeest’, zie verder bij → joelen, waarmee het overigens niet verwant is.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

jolijt [vrolijkheid] {jolijt, jolijs [vreugde] 1276-1300} eig. het zelfstandig gebruikt bn. jolijs, jolijt [vrolijk] < frans joli [idem], uit het germ., vgl. oudnoors jōl [kerstmis] (vgl. joelfeest).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

jolyt: “plesier, pret” (WAT); (veroud.) Ndl. jolijt (Mnl. jolijt/jolijs, misk. na vb. v. delijt, by Kil jolijd), wsk. as s.nw. gebr. b.nw. Ofr. joli(f), vgl. ook Fr. joliveté en Eng. jollity.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

jolijt (Frans joli)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

jolijt ‘vrolijkheid’ -> Fries jolyt ‘vrolijkheid’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

jolijt vrolijkheid 1276-1300 [CG Lut.A] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut