Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jolig - (vrolijk, plezierig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

jolig bn. ‘vrolijk, plezierig’
Nnl. joolige vrouwen ‘vrolijke en opgewekte vrouwen’ [1784; WNT].
Afgeleid van het zn. jool ‘pret’ [1852; WNT] of van het werkwoord jolen, nevenvorm van → joelen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

jolig* [vol vrolijkheid] {1784} van jolen.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

jolig

Het bijvoeglijk naamwoord jolig: vol vrolijkheid, dartel, is afgeleid van een zelfstandig naamwoord jool, dat vroeger algemeen gebruikt werd voor: pret, plezier, maar dat men nu nog slechts in de studententaal aantreft in samenstellingen als kroegjool en rijjool. Daar betekent het: feest. Geheel verdwenen is het werkwoord jolen, maar toch kan hieruit het woord jolig worden verklaard. Jolen is namelijk niets anders dan: jo roepen en dat is ook de eigenlijke betekenis van het werkwoord jodelen: de eigenaardige wijze van zingen der Alpenbewoners. Wij hebben dus met klanknabootsende woorden te maken. Ook joelen en joedelen komen voor.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

jolen ww., in de 16. eeuw jolen (ô?) “gekheid maken”. Onomatopoëtisch evenals joelen en mhd. jôlen “luid zingen” (nhd. johlen), mnd. jôlen “jubelen”. Van een interjectie afgeleid. — jolig bnw., jool znw., nog niet bij Kil.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

jolig bijv., van den stam van jolen.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

zomerzotheid [dwaze verliefdheid, dwaasheid] (1927). In 1927 verschijnt Een zomerzotheid, geschreven door Cissy van Marxveldt (1889-1948), die bekend is door haar razend populaire meisjesboeken over bakvis Joop ter Heul. Het boek gaat over vijf jonge vrouwen die hun zomervakantie doorbrengen op hetzelfde landgoed als vijf jonge mannen. Verliefdheid en allerlei komische verwikkelingen zijn het gevolg. De titel van het boek (Een zomerzotheid) werd hierdoor een begrip, met als betekenis ‘dwaze verliefdheid, dwaasheid’. Van Marxveldts boeken staan bekend om de vele mode-uitdrukkingen, zoals fuiven, fuifnummer, jolig, lam, leut, mal, moppig, puf, reuze, zalig en zielig.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

jolig* vol vrolijkheid 1784 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut