Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

joekel - (object dat groot is in zijn soort)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2019

Kanjer

“Jij bent een kanjer / Ik wil nooit meer een ander …” De Amsterdamse volkszanger Peter Beense laat er geen misverstand over bestaan dat hij zijn hart verloren heeft. Het eind van het liedje is dat alle mensen diep onder de indruk zijn van Beenses aanbedene: “Jij bent een kanjer dat is zeker / Iedereen houdt van jou.”
In het Nederlands van nu is het een groot compliment als je een ‘kanjer’ wordt genoemd. Dat is niet altijd zo geweest. In F.A. Stoetts Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (1923-1925) staat te lezen: “Onder een kanjer verstaat men een ellendeling, een beroerling.” Stoett illustreert dit met de uitdrukking een kanjer van een kerel (of een wijf). Het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) citeert ter illustratie een zinnetje uit de roman Oude kennissen van Justus van Maurik (1895): “M’n vader was een goedig man, maar m’n moer, ‒ ’n kanjer”.

Meester Canjaert
In de loop der tijd heeft het woord kanjer een positievere betekenis aangenomen. Hoe is dit in zijn werk gegaan? Aangenomen wordt dat kanjer teruggaat op het Franse cagnard (‘luiaard’). Aan die Franse herkomst herinnert de slot-t waarmee het woord aanvankelijk werd geschreven: kanjert, kanjaart. In het Middelnederlands wordt het woord uitsluitend aangetroffen als persoonsnaam: “gherart kangarts kinder” (1275), “jan keynart” (1311). Rond 1600 wordt de bijnaam Kanjaart gebruikt voor leeglopers en luie praalhanzen. Meester Canjart was de titel van “een boertige Clucht van een Quacksalver met zijn Knecht” (1615). De bijnaam Meester Canjaert was in de zeventiende eeuw in omloop voor pedante vreemdelingen en voor rechtsgeleerden die ten onrechte prat gingen op hun rang en bekwaamheden. De dichter Roemer Visscher spreekt spottend van “Meester Kagnaert (...) een Advocaet van ’t Hof, noyt wijser geboren, Van sijn leven heeft hy noyt Proces verloren.”
Waarschijnlijk uit bewondering voor het succes dat sommige van deze gemakzuchtige bluffers hadden, kreeg kanjer een gunstige klank: ‘iemand die voortreffelijk is in zijn vak’. De humoristische dichter Salomon van Rusting spreekt in 1704 tot de schoolmeesters: “Gy Meesters, die, in ’t school, voor kanjers kunt verstrekken / En, by de wysen, maar passeert voor halve gekken.”
Rustings achttiende-eeuwse gebruik van het woord doet al modern-positief aan. Maar de oorspronkelijke ongunstige betekenis bleef nog lang doorklinken, bijvoorbeeld in Margo Scharten-Antinks typering van zekere dienstmeisjes als “brutale kanjers”, in haar roman Sprotje heeft een dienst (1909).

Onparlementair
Dat kanjer als persoonstypering nog in de twintigste eeuw aanleiding tot misverstanden kon geven, blijkt uit de Handelingen van de Tweede Kamer. Op 11 december 1913 sprak Tweede Kamerlid Schaper: “Wij hebben een kanjer van een Minister van Waterstaat.” Hierop wees de voorzitter hem terecht: “Mag ik den geachten afgevaardigden verzoeken dergelijke uitdrukkingen niet te bezigen? Dat zijn qualificaties die in deze vergaderzaal tegenover een Minister niet gebruikt mogen worden.” Schaper verdedigde zich met de volgende betekenisverklaring: “Ik weet niet of u de beteekenis van het woord kanjer wel begrijpt. Het woord beteekent, naar ik vermoed, niets slechts; het beteekent een krachtig, energiek persoon, een soort, zooals men zegt: ‘mannetjesputters’. Ik geloof, dat in dezen zin het woord niet als onparlementair kan beschouwd worden.”
In overdrachtelijke zin is kanjer in omloop geraakt ter karakterisering van bijzonder grote personen, dieren en voorwerpen: een kanjer van een vent, van een hond, van een neus. In deze zin is het woord in ieder geval salonfähig geworden in het Nederlandse parlement. Sinds 2000 bestaat de zogenoemde ‘kanjerregeling’, met regels voor subsidieverlening aan uitzonderlijk omvangrijke restauraties van beschermde monumenten.

Joekel
Een vergelijkbare ontwikkeling zien we bij een synoniem voor kanjer: joekel, dat sinds eind negentiende eeuw in het Nederlands wordt aangetroffen. Joekel is van oorsprong een Bargoens woord, dat teruggaat op het Romani, de taal van de Roma-zigeuners. De Romani-vorm dšúklo betekende ‘hond’, en dit is ook de oorspronkelijke betekenis van het Nederlandse woord. Deze wordt in 1935 aangetroffen in de Rotterdamse roman Polletje Piekhaar van Willem van Ipendaal: “een klein wit joekeltje. Net een dotje poesketoen, maar blaffe as de tering!”
Uit de betekenis ‘hond’ is via ‘grote hond’ de huidige overdrachtelijke betekenis ‘groot ding’ ontwikkeld. We vinden hier een aardige parallel met kanjer: het Franse woord cagnard ‘luiwammes’, waarvan kanjer afstamt, gaat terug op het Latijnse canis, dat eveneens ‘hond’ betekent.
Geliefd is net als bij kanjer de constructie met van een: “Zo’n joekel van een fout in het eindexamen Nederlands, dat kan natuurlijk echt niet.” (de Volkskrant, 6 juni 2013)
Joekel en kanjer hebben beide een opmerkelijke betekenisverandering ondergaan. Etymologen zijn maar al te blij als muzikale artiesten deze spreektalige woorden in hun songteksten verwerken en in al hun nuances voor het taalkundig nageslacht bewaren. Om met Danny de Munk te spreken: “Tulpen, rozen, anjers, ze brengen zoveel moois / Voor iemand die je heel erg hebt gemist / dan zeg je lieve kanjer, ja deze zijn voor jou / mijn nummer 1 als jij dat nog niet wist.”
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2013), ‘Kanjer’, in: Onze Taal 11, 307.]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

joekel zn. ‘object dat groot is in zijn soort’
Nnl. joeker ‘hond’ [1873; Moormann], jokker ‘id.’ [1890; Moormann], joekel, tjoekel ‘id.’ [1906; Boeventaal]; joekel ‘groot ding’ in een paar grote schuiten met hoge joekels deronder (schoenen met hoge hakken) [1965; WNT Aanv.] en de barmeid heeft twee grote joekels (borsten) [1968; WNT Aanv.].
Ontleend aan Bargoens joekel/joeker, uit zigeunertaal dšúklo ‘hond’, dat in het Rotwelsch voorkomt als schukel, zjukyl, ju(c)kel ‘hond’. Uit de algemene betekenis ‘hond’ is via ‘grote hond’ en ‘groot ding’ in de spreektaal de huidige betekenis ontwikkeld. Ook het woord → kanjer gaat terug op een woord dat ‘hond’ betekent.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

joekel [hond, kanjer] {joeker [hond] 1873, joekel [hond] 1906; als ‘kanjer’ na 1950} rotwelsch Schuckel, Zjukyl, Ju(c)kel [hond] < zigeunertaal dshuklo [idem].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

joekel (Zigeunertaal dšúklo)

N. van der Sijs (1998), Geleend en uitgeleend: Nederlandse woorden in andere talen en andersom, Amsterdam

bink, dokken, joekel, gids, mollen, pieren, pooier, verpatsen

De zigeuners hebben geen eigen land, maar wonen van oudsher verspreid over Azië en Europa. Er zijn naar schatting twee tot drie miljoen zigeuners, waarvan de meesten in Europa wonen. De zigeuners noemen hun taal Romani. Het Romani is een Indi­sche taal die verwant is met het Oudindisch of Sanskriet en met moderne Indische talen als het Bengali in Bangladesh, het Hindi in India en het Urdu in Pakistan. In de vierde eeuw voor Chr. zijn de zigeuners om onbekende redenen weggetrokken uit hun stamland India. In eerste instantie trokken ze naar Perzië en Armenië, waar ze lange tijd bleven. Vanaf de elfde eeuw ver­spreidden zij zich over Griekenland en de Balkan, en van­daar over de rest van Europa. Vanaf ongeveer 1420 verbleven er zigeuners in West-Europa. De huidige Zigeunertaal bestaat uit wel zestig dialecten, die leenwoorden hebben opgenomen uit de talen van de landen waar de zigeuners korter of langer verbleven. Het omgekeerde gebeurde ook, zij het op kleinere schaal: andere talen, waaronder het Nederlands, hebben woorden ontleend aan de Zigeunertaal.

De zigeuners hebben in twee verschillende periodes in de Nederlanden gewoond. Hun eerste verblijf duurde ruwweg van 1420 tot 1750. De eerste zigeuners die rond 1420 naar de Lage Landen kwamen, werden gastvrij onthaald. Zij trokken naar de grotere steden en vertelden dat ze pelgrims waren die door de ‘ongelovige Saracenen’ (Arabieren) uit hun geboorteland ‘Klein-Egypte’ waren verjaagd. Ze hadden aanbeve­lingsbrieven bij zich van de paus, keizer Sigismund en andere hoogwaardigheidsbekleders. Door het gedrag van sommige zigeuners (kruimeldiefstal, landloperij, bedelarij), maar ook door andere factoren zoals de verslechterde economische omstandig­heden, veranderde de houding tegenover de zigeuners en mochten ze alleen nog op het platteland verblijven.

In het begin van de zestiende eeuw verschenen de eerste plakkaten tegen de zigeuners. Maar het overheidsoptreden was in deze eeuw nog betrekkelijk mild, de zigeuners werden voornamelijk verbannen. In de zeventiende eeuw verhardde het beleid en werden er zelfs ‘heidenjachten’ gehouden. De zigeuners vermengden zich in deze eeuw met andere zwerversgroepen. Tot 1709 mochten zigeuners niet over de gewestelijke grenzen heen vervolgd worden en waren ze dus veilig als ze bij onraad over een grens trokken. Maar in 1709 en 1710 sloegen de gewesten de handen ineen en spraken af dat zigeuners ook over de grenzen heen vervolgd konden worden. Dit luidde het einde in van het ver­blijf van de zigeuners alhier. In de eerste helft van de achttiende eeuw verdwenen ze uit de Nederlanden: een deel van hen ging op in de zwerversbevolking, een deel vluchtte en de rest werd gedood. O. van Kappen, die de geschiedenis van de zigeuners in Nederland heeft beschreven, vatte dit eerste verblijf als volgt samen: ‘De geschiedenis van de zigeuners [...] in de Noordelijke Nederlanden beslaat [...] een tijdvak van ruim drie eeuwen [...], waarin wij hun juridische status zien degraderen van die van alom geëerde, in een reuk van heiligheid en geheimzinnigheid staande vreemde pelgrims, tot die van een “samengerotten hoop van lediggangers en dievengespuis”.’

Van ongeveer 1750 tot 1850 verbleven er geen zigeuners in de Nederlanden, maar daarna trokken er weer zigeuners binnen. Dit is het tweede verblijf van de zigeuners. Er worden nu verschillende zigeunergroepen onderschei­den. De drie hoofdgroepen zijn de Kalderasch uit de Balkan en Midden-Europa, de Sinti of Manush uit Duitsland en Frankrijk, en de Gitanos op het Iberisch schiereiland, in Noord-Afrika en Zuid-Frankrijk. Van die laatste groep zijn nooit veel vertegenwoordigers in Nederland geweest. De algemene naam die de zigeuners zichzelf geven, is niet zigeuner — die naam gebruiken alleen niet-zigeuners — maar Rom of Roma, wat letterlijk ‘man, echtgenoot’ en vandaar ‘zigeunerman’ betekent. Van Rom komt waarschijnlijk Engels rum, oorspron­kelijk ‘uitstekend’, maar tegenwoordig alleen ‘vreemd’: he is a rum old bird ‘hij is een vreemde vogel’. Zigeuners noemen een niet-zigeuner gadžo, een pejoratief woord met de betekenis ‘boer, lomperik, niet-zigeuner’. Het woord zigeuner is via het Duits ontleend aan Hongaars cigány. Het Hongaarse woord gaat terug op Grieks tsínganos, waarschijnlijk van Athínganoi, de naam van een ketterse sekte in Frygië en omgeving. De naam van de sekte werd overgedragen op de zwervende zigeuners. De oudste vorm van zigeuner, uit 1575, luidde syngainder; in 1595 kwam de spelling zigeyner voor en in 1778 zigeuner.

Vanaf 1868 trekken Kalderasch en Ursari naar Nederland. Kalderasch zijn van oorsprong Hongaarse ketellappers, Ursari zijn Bosnische berenleiders. Na 1900 komen Lowara, paardenhan­delaren uit Hongarije en de Balkan, via Duitsland, Frankrijk en Scandinavië naar Nederland. De Kalderasch en Lowara behoren tot de Roma-zigeuners, van de Ursari is dat niet zeker, sommi­gen zeggen dat zij geen Zigeunertaal spraken. Vanaf het midden van de negentiende eeuw verblijven er in Nederland Sinti, die van beroep muzikant of kunstenmaker zijn en uit Duitsland en Frankrijk komen. Vooral tussen 1900 en 1920 trekken veel Duitse Sinti naar ons land.

Vanaf het eerste voorkomen van zigeuners midden negentiende eeuw trachtte de overheid hen te weren, al werden niet alle groepen op dezelfde manier behandeld. De plaatselijke bevolking had contact met hen — de zigeuners verdienden hun geld door te handelen met de bevolking of door hen te vermaken. In de Tweede Wereldoorlog vervolgden de Duitsers de zigeuners en dwongen hen zich in verzamelkampen te vestigen. Veel zigeuners onttrokken zich hieraan: ze doken onder of gingen in huizen wonen. In mei 1944 werden na een razzia 245 zigeuners naar Duitsland gedeporteerd. Na de oorlog verbleven er nog maar weinig zigeuners in Nederland en België. Eind jaren tachtig woonden er naar schatting ruim 1000 zigeuners in ieder land.

Hebben de twee verblijven van de zigeuners in de Nederlanden nu ook geleid tot leenwoorden uit de zigeunertaal? Ja, maar aanvankelijk alleen in het Bargoens, de taal van dieven, landlopers en rondtrekkende handelaren. Doordat zigeuners zich in het verleden niet in het Nederlandse gebied mochten vestigen, hadden ze niet met alle lagen van de bevolking contact, maar voornamelijk met andere zwer­vende groepen. Daardoor zijn de zigeunerwoorden eerst opgenomen in het Bargoens, en vandaaruit is een deel van de woorden in het Standaardnederlands terechtgekomen. Er is slechts één leenwoord uit de Zigeunertaal dat níét via het Bargoens geleend is, en dat is gids. Gids is afgeleid van het zigeunerwoord gadžo ‘niet-zigeuner, boer’, speciaal ‘boer die handlanger van de zigeuners is’, vergelijk zeventiende-eeuws gidje ‘spion’ en de Kempense vorm gids ‘lange, magere vrouw’. De betekenisontwikkeling van ‘zigeuner­vrouw’ tot ‘leider, leidsman’ kan verklaard worden uit het feit dat de zigeuner­vrouwen voorop gingen en het terrein verkenden, waarbij ze optraden als gidsen en tegelijk als spionnen.

Voor zigeunerwoorden in het Bargoens moeten we te rade gaan bij J.G.M. Moormann, de auteur van een tweedelig standaardwerk uit 1932-1934 over het Nederlandse Bargoens. In totaal heeft Moormann in de verschillende Bargoense dialecten 132 woorden gevonden die aan de Zigeunertaal zijn ontleend, waarvan iets minder dan de helft alleen vóór 1900 is gebruikt. De meeste zigeunerwoorden vond hij in de ‘Saksische’ gebieden (Gelderland en de noordelijker provincies), die grenzen aan Duitsland. Van de zigeuner­woorden die nog na 1900 in het Bargoens gebruikt zijn, trof Moor­mann er veertig op slechts één plaats aan. Deze laat ik verder buiten beschouwing. Negenentwintig woorden werden op meerdere plaatsen gebruikt, en elf hiervan zijn vrijwel overal bekend.

De elf algemeen bekende woorden zijn: ­bink (van Zi­geunertaal béng ‘duivel’), dokken (mogelijk van Zigeunertaal dau ‘geven’), gees/gies ‘vrouwspersoon’ (van gaji ‘boerin’), joekel, ook joe­kert, tjoekel, sjoeker (van giuchél ‘hond’), kach(e)lientje, kakelientje, kakelinnen ‘kip, kippen’ (van chaini), mangen ‘bedelen’ (van mangáu ‘vragen’), maro ‘brood’ (van manrô), mollen ‘doodma­ken’ (van muló, bijvoeglijk naamwoord ‘dood’), sjank, chanke, sankse ‘kerk’ (van kangheri) met de afleiding sjanken ‘trouwen’, en ten slotte treiers/treders/trederikken ‘schoenen’ (van cirach, tirach). Hoewel treders/trederikken afgeleid lijken van treden, kan dit niet het geval zijn, want deze woorden komen ook voor in dialecten waar treden niet bestaat.

Opvallend zijn de betekenisverschuivingen bij bink (van ‘duivel’ naar ‘stoere vent’) en bij joekel (van ‘hond’ naar ‘groot voorwerp, kanjer’). Qua betekenis kunnen we bink vergelijken met Engels pal ‘vriend, maat’ en bloke ‘kerel’, die waar­schijnlijk beide geleend zijn uit de Zigeunertaal. Interessant is nog dat Zigeunertaal gaji ‘boerin’ — geleend als gees/gies ‘vrouwspersoon’ — de vrouwelijke vorm is van gadžo ‘boer’, dat we hebben overgenomen als gids.

Alle elf woorden zijn al voor 1800 gevonden, behalve joekel (ca. 1860), kach(e)lientje (1922) en mangen (1890). Gezien de grote verbreiding van deze woorden is Moormann van mening dat ze al vroeg zijn ontleend en ‘dagteekenen uit de eerste periode van ‘t Zigeunerverblijf hier te lande, dus uit ± 1500’. Volgens Moormann waren mangen ‘bedelen’ en maro ‘brood’ de meest gebruikte woorden, wat paste bij de leefwijze van de zigeuners. Over de andere woorden schrijft hij: ‘Joekel, de vreesaanjagende hond, mollen, het doodmaken, bink en gies, aanspreekvormen zijn al even veel­vuldig; opmerkelijk is sankse “kerk”. Maar we weten, dat de eerste Zigeuners nogal vroom deden. Deze enkele woorden geven ons al een diepe kijk in het armelijke leven der zwer­vers’.

Behalve de elf genoemde ruim verbreide woorden vond Moormann achttien zigeunerwoorden die in deze eeuw op meer dan één plaats ge­bruikt werden: baloo ‘varken’, bok ‘honger’ (vergelijk in Duitse spreektaal Bock haben ‘honger hebben’), galo ‘boer’, gemol, ook molle ‘spek’, gorgel ‘hals’, jaakveesken ‘lucifer’, karrejuks/karriot ‘karnemelk’, kotter ‘boterham’, lovie ‘geld’, pavel ‘appel’, piotes ‘luizen’, pooi ‘rivier’ en de afleiding pooien ‘drinken’, ratjes ‘marechaussee’, steernikkel ‘kat’, tioren/tjoeren ‘stelen’, val ‘deur’ en vattelink ‘goed’.

Het oudst zijn pooien (al van rond 1500) en val (1769). Kotter en pooi zijn eind negentiende eeuw voor het eerst aangetroffen, maar op meerdere plaatsen. Het moeten dus oude leenwoorden zijn. De overige woorden zijn pas voor het eerst in deze eeuw gevonden en hadden geen ruime verbreiding.

Opvallend is het landelijke karakter van de woorden (boer, rivier) en het grote aantal woorden die met eten te maken hebben: varken, spek, karnemelk, boterham, appel; honger, geven en drinken. Uit de dieventaal komen de woorden voor stelen, marechaussee, deur/goed en gereedschap.

Een andere bron waarin zigeunerwoorden genoemd worden, is het boek De boeventaal, dat commissaris van politie W.L.H. Köster Henke in 1906 het licht deed zien om politie en justitie te helpen de ‘jongens van de vlakte’ te verstaan. Köster Henke vermeldt vier zigeunerwoorden die niet door Moormann zijn genoemd: katsjemme, pieren, poekelen en verpatsen. Katsjemme, door Köster Henke omschreven als ‘luimkeet, penne, slaapstee’ is een jong leenwoord; het komt ook voor in het Duits, waar Kaschemme een gewoon woord is voor ‘onderwereldkroeg, kroeg die slecht bekend staat’. Pieren en verpatsen zijn afleidingen van veel eerder geleende zigeunerwoorden. Pieren ‘gokken, dobbelen’ en ‘muziek maken’ komt van pierder ‘gokker, speler’ (1731), een afleiding van een zigeunerwoord pérjas ‘scherts, vrolijkheid’. Verpatsen is waarschijnlijk gevormd naast het veel oudere verpassen (1576), een samenstelling van ver- en pas­sen ‘kopen’, dat is afgeleid van Zigeunertaal pasj ‘deel’. De -t- in verpatsen kan wellicht uit klanksymboliek (handslag bij verkoop) verklaard worden. Poekelen ‘te veel praten, doorslaan’ is een jong leenwoord, een afleiding van Zigeunertaal p’uk ‘bekennen, verraden, aanklagen’; iets ouder is poekeren ‘spreken’, maar ook dat is pas sinds eind negentiende eeuw bekend.

Van twee woorden die in Moormann genoemd zijn, geeft Köster Henke een nieuwe betekenis, namelijk van piot en pooien. Moor­mann heeft opgenomen piotes ‘luizen’, een woord dat in verschillende dialecten, zoals de Zaanstreek en Groningen, als pioter ‘hoofdluis’ voorkomt en afgeleid is van Zigeunertaal pisjom, pusjum ‘vlo’. Köster Henke daarentegen vermeldt piot ‘soldaat’, dus met een betekenisverschuiving van ‘ongedierte’ naar ‘soldaat’. De oudste betekenis van pooi­en was, zoals we gezien hebben, ‘drinken’. Köster Henke noemt echter de betekenis ‘eten, zich laten onderhouden’; deze betekenis is wellicht ontstaan via ‘drinken op kosten van’. Van pooien is pooier afgeleid, dat bij Köster Henke voor het eerst voorkomt en dat hij omschrijft als ‘dikvreter; kerel die met een meid leeft, die voor hem den kost verdient’.

In totaal zijn, de onzekere afleidingen meegerekend, drieëndertig zigeunerwoorden in de twintigste eeuw op meerdere plaatsen genoteerd. Hiervan is ruim de helft, achttien om precies te zijn, een overblijfsel van het eerste verblijf van de zigeuners, namelijk: bink, dokken, gees/gies, gids, joekel, kach(e)lientje, kotter, mangen, maro, mollen, pieren, pooi, pooien, sjank, sjanken, treiers/treders/tre­derikken, val en verpassen. Acht zigeunerwoorden zijn opgenomen in het algemene Nederlands: bink, dokken, gids, joekel, mollen, pieren, pooier en verpatsen. Al deze woorden stammen uit het eerste verblijf van de zigeuners, en komen dus al ongeveer vier eeuwen lang in het Nederlands voor. De oudste contacten hebben klaarblijkelijk een diepe en langdurige indruk achtergelaten, terwijl de jonge contacten veel vluchtiger zijn geweest. Circa 135 woorden die ooit uit de Zigeunertaal geleend zijn, waarvan er acht zich blijvend in de taal gevestigd hebben, lijkt misschien niet veel, maar ter vergelijking: de Oxford English Dictionary, het grootste Engelse woordenboek, dat de woordenschat van het Engels van het midden van de twaalfde eeuw tot heden beschrijft, noemt in totaal twaalf Engelse leenwoorden uit de Zigeunertaal; het Deutsches Universalwörterbuch noemt er voor het Duits zelfs maar drie. Zo’n slecht figuur slaat het Nederlands dus niet.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

joekel hond 1873 [MOO] <Romani

joekel kanjer 1965 [Aanv WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut