Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jid - (jood)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

jid [jood] {1921} < jiddisch jid [jood, man] < hoogduits Jude of (waarschijnlijker) uit een vorm met umlaut Jüde, vgl. middelhoogduits jüde (vgl. jood, Jiddisch).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

jid: (Bargoens) Jood. Nevenvorm van Jude. Jiddelen betekent ‘Joods doen’.

’n Jid maakte zich niet de zappel… (De Groene Amsterdammer, 10/01/1904)
Een goy vecht en steelt, een Jid beledigt de overheid en heelt, dat was nu eenmaal zo. (Siegfried E. van Praag, La Judith.1930)
Ze hebben de pest aan de jidden en ze zullen ontmaskerd worden! (Leon de Winter, Een Abessijnse woestijnkat, 1991)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

jid (verouderd Duits Jüde)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

jid jood 1921 [MOO] <Jiddisch

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut