Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jegens - (ten aanzien van, tegen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

jegens vz. ‘ten aanzien van, tegen’
Eerst zonder -s, in het onl. met de voorvoegsels an- en in-: angegin ‘tegen’ [10e eeuw; W.Ps.] en ingegen ‘id.’ [ca. 1100; Will.]; mnl. jeghen ‘aan’ in hi sal er betren iegen den ghenen dar hi af bedregen es; dane chegen den graue ‘hij zal dan genoegdoening geven aan degene tegenover wie hij schuldig is verklaard; vervolgens aan de graaf’ [1237; CG I, 36]. Dan met -s: mnl. jeghens ‘ten aanzien van, ten gunste van’ in ieghens hem ‘(een betaling) aan hem’ [1278; CG I, 405], ‘tegen’ in sinen orloghe jeghens ons ‘in zijn oorlog tegen ons’ [1285; CG I, 1050].
Jeghens is een afleiding van het oudere jeghen ‘tegen’, een algemeen Germaans voorzetsel en voorvoegsel, in het Nederlands met Noordzee-Germaanse j- < pgm. *g-, zoals bijv. ook → jij naast → gij.
Jeghen was het gewone woord voor het latere → tegen, dat is ontstaan uit te jegen. De -s in jeghens is opvallend, omdat met dat achtervoegsel meestal bijwoorden of bijvoeglijke naamwoorden worden gevormd, zie → -s. In dit woord heeft het geen woordvormende functie: zowel mnl. jeghens als jeghen zijn al vanaf de oudste attestaties uitsluitend voorzetsel. De basisbetekenis van beide woorden is ‘tegen, tegenover’. Jeghen is in het Middelnederlands verreweg het meest frequent, en kenmerkend voor jeghens is dat het nooit in ruimtelijke betekenis ‘of iets af, naar iets toe’ is gebruikt.
Os. gegin- (mnd. jēgen); ohd. gagan(-), gegin (nhd. gegen(-)); ofri. jēn, jōn (nfri. jin); oe. gegn-, gēan- (ne. nog in gainsay ‘weerspreken’); < pgm. *gagin ‘tegen’. Daarnaast het bn. on. gegn ‘recht, rechtstreeks, geschikt’, waaruit me. gayn, ne. vero. gain ‘geschikt’. Combinatievormen met in-, aan-, alle oorspr. ‘tegemoet, in strijd met’: onl. angegin, ingegen; ohd. ingegin (mhd. engegen, nhd. entgegen), ingagan; oe. ongēn, ongegn (ne. again ‘weer’), ongeān; on. i gegn (nzw. igen ‘weer’). De verdere, voor-Germaanse etymologie is onbekend.
In de oudste Nederlandse teksten is dit voorzetsel al multifunctioneel. Maar uit Oudhoogduitse teksten is nog de betekenisontwikkeling op te maken: oorspr. alleen ruimtelijk ‘rechtstreeks (op iets af)’ en temporeel (zoals in nnl. tegen de avond), vervolgens ook m.b.t. de verhouding met mensen en zaken ‘tegenover, jegens’, ten slotte ook bij tegenwerking (tegen iemand strijden e.d.).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

jegens* [ten aanzien van] {oudnederlands gegin- 901-1000, middelnederlands jegen(s), gegen} oudsaksisch, oudhoogduits gegin, oudengels gēan, oudnoors gegn; etymologie onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

jegens voorz., mnl. jeghens ‘tegen, tegenover’ naast jeghen ‘tegen, tegenover, tegemoet’, onfrank. gegin, os. gegin-, ohd. gagan, gegin, voorz., gagani, gegini bijw., ofri. jēn, jōn voorz., oe. gēan voorz. bijw., on. gagn-, gegn. Veelal in samenstellingen als onfrank. angegin, os. angegin, ohd. ingagan, ingegin voorz., ingagani, ingegini bijw. (nhd. entgegen), ofri. ajēn, inagēn, oe. ongēan on. ī gegn. - Zie ook tegen.

Indien men dit woord verbindt met oe. gegn ‘recht’, on. gegn ‘recht, passend, flink’ < germ. *gagina- dan zou men kunnen uitgaan van een bet. ‘recht tegenover’. — De verdere aanknoping aan oi. jaghána- ‘bil, schaamstreek’, gr. kochṓnē ‘plaats tussen de schenkels’ en dus zie: gang (Lewy PBB 32, 1906, 140) is weinig overtuigend.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

jegens voorz., mnl. jēghens “tegen, tegenover”, ook (zelden, laat) als bijw. Hiernaast jeghen bijw. voorz. “tegen, tegenover, tegemoet” (en daaruit ontstane bett.). = onfr. gegin- (in samenst.), ohd. gagan, gegin (nhd. gegen) voorz., gagani, gegini bijw., os. gegin- (in samenst.) bijw., ofri. jên, jôn voorz., ags. gêan voorz. bijw. (vooral in samenst.), on. gegn voorz., gagn- (in samenst.) “id.”. Vaak voorafgegaan door een voorz.: onfr. angegin, ohd. ingagan, ingegin voorz., ingagani, ingegini bijw. (nhd. entgegen), os. angegin, ofri. ajên, (in)agên, ags. ongêan (eng. again), on. î gegn “tegen” (en afgeleide bett.). Met genitiefuitgang os. tegegnes, ofri. tôjênis(t), ags. tôgêanes “id.”, zonder voorz. behalve ndl. jegens ook mnd. jēgens, oofri. gêns, owfri. jêns(t). Vgl. tegen. Oorsprong onzeker. De combinatie met gaan noch die met gr. kokhṓnē (zie gang) zijn overtuigend. Wsch. terecht vergelijkt men on. gagn o. “hulp, nut, boedel”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

jegens. Eng. again kan niet als normale voortzetting van ags. ongêan gelden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

jegens voorz., Mnl. jeghens en jeghen, Onfra. en Os. gegin + Ohd. gegin (Mhd. en Nhd. gegen), Ags. géan (Eng. again, d.i. on-géan), Ofri. jén, On. gagn (Zw. i-gen, De. i-gjen): niet verder op te sporen. Voor j = g, verg. gene.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

jegens* voorzetsel 1292 [CG I Middelburg]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut