Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jatten - (gappen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

jat zn. (NN) ‘hand’
Nnl. jatten (mv.) ‘handen’ [1858; Moormann], “Je krijgt 't lau uit z'n jatten.” Salontaal is 't nog niet, maar ik hoor 't meer en meer in den volksmond gebezigd (lau = ‘niet’) [1905; Groene Amsterdammer]. Het enkelvoud komt weinig voor.
Oorspr. een Bargoense term, en daarom ook in het moderne taalgebruik vooral een spreektalig woord. Ontleend aan West-Jiddisch jat ‘hand’, variant van Standaard-Jiddisch jad, dat ontleend is aan Hebreeuws jāð ‘hand’ (modern Hebreeuws jad). Het meervoud moet in het Nederlands gevormd zijn, want het Jiddische meervoud luidt jedajem.
jatten ww. ‘stelen’. Nnl. jatten ‘id.’ [1901; WNT vrede]. Afleiding van het zn. jat, dat Bargoens was en daarom veel in pejoratieve context werd gebruikt; jatten is dus ‘iets met je jatten doen (wat niet deugt)’. ♦ jatmoos zn. (NN) ‘dief’. Nnl. jatmoos ‘handgeld’ [1906; Boeventaal], ook ‘dief’ [1961; van Dale]. Daarnaast het werkwoord jatmouzen ‘kleine diefstallen plegen’ [1906; Boeventaal]. Oorspr. een Bargoens woord, overgenomen uit het Jiddisch en gevormd uit jat ‘hand’ en moos ‘geld’ < Hebreeuws māʿōþ ‘geld’. In navolging van het werkwoord jatmouzen ‘stelen van kleinigheden die met de handen te grijpen zijn’ is het zn. jatmoos ook ‘dief’ gaan betekenen. Misschien heeft hierbij associatie met de (joodse) eigennaam Moos (< Mozes) een rol gespeeld.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

jatten [gappen] {1901-1925} afgeleid van jat (vgl. jatmoos); de vorming is dus vergelijkbaar met klauwen bij klauw.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

jatten ww. ‘gappen’, bargoens woord < joods jad status constructies in plaats van jod ‘hand’ (Moormann 1. 325).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† jatten (stelen). Uit het Bargoens; van hebr. jad ‘hand’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

jatten gappen 1901 [WNT vrede]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut