Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jaspis - (ijzerkiezel, halfedelsteen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

jaspis zn. ‘ijzerkiezel, halfedelsteen’
Mnl. iasp ‘halfedelsteen’ [1285; CG II, Rijmb.], iaspis es .i. steen al groene ende sulc es van sulken doene die ghedropelt es al root ‘jaspis is een geheel groene steen en is van zodanige aard dat hij helemaal rood gespikkeld is’, en jaspre [beide 1287; CG II, Nat.Bl.D], jaspire [1365-85; MNW-R]; vnnl. jaspis [1526; WNT regenboog I]. Eerder wordt Latijn jaspis nog vertaald: ein edel stein [1240; Bern.].
Jaspis is vanaf de Vroegnieuwnederlandse periode de gebruikelijke vorm en is ontleend aan Latijn iaspis. De Middelnederlandse varianten zijn ontleend via Frans jaspe [ca. 1119; Rey] en een (alleen Oudfranse) variant jaspre, waaruit o.a. ook Engels jasper. Latijns iaspis is via Grieks íaspis ontleend aan een Semitische taal, vergelijk gelijkbetekenend Hebreeuws jāšpēh, Arabisch yašb, Akkadisch yašpŭ.
In de oudheid, ook in de bijbel, werden met de woorden die met jaspis verwant zijn, diverse soorten edelsteen aangeduid die niet overeenkwamen met wat men er tegenwoordig onder verstaat, namelijk een bepaalde ondoorzichtige, veelal gekleurde halfedelsteen uit de kwartsfamilie.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

jaspis [steensoort] {1201-1250} < latijn jaspis, sommige middelnl. vormen echter < oudfrans jaspe, jaspre. De lat. vorm < grieks iaspis, dat uit het semitisch stamt, vgl. akkadisch jasjpû [jaspis] (vgl. jaspégaren, jasperen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

jaspis znw. m., mnl. jaspis, jaspe, jasper, jaspire < ofra. jaspis, jaspe, jaspire < lat. jaspis < gr. íaspis < hebr. jāšpeh < assyrisch ašpū.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

jaspis znw., mnl. jaspis, jasp(e), jasper, jaspire m. Uit. lat. jaspis resp. ofr. jaspis, jaspe, jaspere. Gaat terug op het Sem.: hebr. jâšǝphē̆h, reeds assyrisch ašpû “jaspis”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

jaspis o., over Lat. jaspis, uit Sem: Hebr. jāšpheh, Assyr. jāšpu.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

jaspis: edelgesteente; Ndl. jaspis (Mnl. jaspis/jaspe(r)/jaspire) uit Ofr. jaspis/jasp(ir)e via Lat. jaspis en/of Gr. iaspis uit Hebr. jaspeh uit Ass. aspu. Die Wes-Eur. tale kon die wd. via die Bybel gekry het.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

jaspis ‘steensoort’ -> Indonesisch yaspis ‘steensoort’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

jaspis steensoort 1240 [Bern.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut