Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jarig - (zijn geboortedag herdenkend)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2019

Jarig

Tegenwoordig worden verjaardagen uitbundig gevierd, maar dat is niet altijd zo geweest. Het vieren van verjaardagen was aanvankelijk aan vorsten voorbehouden. Zij hielden feesten met optochten en vuurwerk, waarbij ze door het volk werden toegezongen. Op de Nederlandse liederenbank (www.liederenbank.nl) vinden we vanaf de zeventiende eeuw ook voor ‘gewone’ mensen allerlei verjaardagsliedjes. In een daarvan, ‘Op het verjaaren van den vrindelyken Jongen Lodewyk Walraaven’, wordt voor het eerst het woord jarig aangetroffen in de betekenis waarin we het nu nog kennen: “Lodewijk is jaarig! / Is dat niet een vreugd? / Schenker zyt niet kaarig / ’t Wyntje doet my deugd.”

Het is in 1667 geschreven door de dichter Andries Pels (1631-1681) bij de derde verjaardag van het zoontje van een bevriend gezin. Het woord verjaardag komen we voor het eerst tegen in 1691, in een Nederlands-Engels woordenboek.

Verjaren
Verjaardag is afgeleid van verjaren, dat aanvankelijk in juridische taal werd gebruikt voor ‘na een bepaalde termijn (oorspronkelijk een jaar) verlopen’. Eind zestiende eeuw kreeg het ook de betekenis ‘een jaar ouder worden’, en daarna ging het ‘jarig zijn’ betekenen.
Het woord jarig bestond al voor de zeventiende eeuw, maar had toen de betekenis ‘een jaar oud, betreffende één jaar’, bijvoorbeeld in de iarighe hure ‘de jaarlijkse huursom’. Omstreeks 1600 ging men zeggen ‘Het is jarig dat …’, oftewel ‘het is nu precies een jaar geleden dat …’ Daarna werd jarig verbonden met een persoon als onderwerp: ‘Hij is jarig.’
Hoe zeiden ze het vóór die tijd als er iemand jarig was? In de Middeleeuwen was de term ouderdach in omloop, zo blijkt uit het reglement van het Gasthuis van Den Bosch, waar in 1277 te lezen staat dat er vlees mag worden gegeten “in hoechtiden en auderdaghes des provisoers”, oftewel op hoogtijdagen en verjaardagen van de diakenen. Ouderdag is samengesteld met het inmiddels verdwenen zelfstandig naamwoord ouder in de betekenis ‘leeftijd’ of ‘geboorte’. Een zeventiende-eeuws synoniem is geboortedag, eigenlijk ‘dag waarop je bent geboren’, en later werd dat ‘dag waarop de geboortedag wordt herdacht’, de verjaardag dus. In het Duits en het Engels is Geburtstag respectievelijk birthday het gewone woord gebleven.

‘Lang zal hij leven’
In de tweede helft van de negentiende eeuw gingen kinderen op school jarigen toezingen met ‘Lang zal hij leven’ of: ‘Er is er één jarig’. Hoe oud zijn die liedjes en waar komen ze vandaan? ‘Lang zal hij leven’ wordt voor het eerst vermeld in de Leydse Courant van 1847. Op 19 augustus van dat jaar werd in Breda na een feestelijke toespraak “het ‘Lang zal hij leven’ in koor (...) aangeheven.” Tekst en melodie vertonen overeenkomst met het Duitse lied ‘Hoch soll er leben’.
‘Hoch soll er leben’ is in 1877 voor het eerst afgedrukt, als ‘Toast’ in een liedbundel voor gymnasiasten. Net als Andries Pels’ verjaardagsliedje was het dus een drinklied.
De oudste Nederlandse vindplaats van ‘Lang zal hij leven’ is internationaal gezien heel interessant. Als het Nederlandse verjaardagslied teruggaat op het Duits, moet het Duitse lied al vóór 1877 zijn gezongen. Dat is denkbaar, de tekst was wellicht zó bekend dat het niet nodig werd geacht deze af te drukken. Het Nederlandse slot in de gloria (“Lang zal hij leven in de gloria!”) gaat terug op een inmiddels verdwenen Duitse variant: “Hoch soll er leben in Gloria, Gloria Victoria”.
“Er is er één jarig, hoera, hoera! Dat kan je wel zien, dat is zij” wordt in de historische kranten voor het eerst genoemd in 1931. De herkomst van de tekst en de melodie zijn onbekend, maar de uitdrukking ‘er is er een jarig’ was al in de negentiende eeuw gebruikelijk.
Na het toezingen gaat het feestvarken (het woord is sinds 1891 in gebruik) of de jarige job of jet meestal trakteren, en die traditie is al behoorlijk oud, zo blijkt uit een gedichtje uit 1932 van Jo Bakema dat begint: “Jarig Jetje zou tracteren / Alle meisjes van de klas”.

De uitdrukking jarige job is voor het eerst in 1913 gevonden. De voornamen Job en Jet zijn ongetwijfeld gekozen omdat ze kort zijn en allitereren met jarig.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2014), ‘Jarig’, in: Onze Taal 1, 12]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

jarig bn. ‘zijn geboortedag herdenkend’
Mnl. jarich ‘een jaar oud’ [iarech 1287; CG II, Nat.Bl.D], ‘betreffende één jaar’, bijv. in de iarighe hure ‘de jaarlijkse huursom’ [1371-78; MNW]; vnnl. jarig ‘een jaar of een geheel aantal jaren geleden’ in alst iaerich is, dat haeren man stierf [1567; WNT], heden voor de tweede mael jarich sijnde dat ... ‘daar het vandaag precies twee jaar geleden is dat ...’ [1654; WNT], dan ‘zijn geboortedag herdenkend’ in hy is jaarig [1691; Sewel NE]; nnl. ook nog toen het juist jarig was dat ... ‘precies een jaar geleden’ [1806; WNT], en jarige kalveren ‘eenjarige kalveren’ [1886; WNT], betekenissen die nu verouderd zijn.
Afleiding van → jaar met het achtervoegsel → -ig.
In het Middelnederlands had jarich betrekking op één jaar. In het Vroegnieuwnederlands verscheen de onpersoonlijke constructie het is jarig (dat) ‘het is nu precies één of een geheel aantal jaren geleden, dat’; hieruit ontstond in de 17e eeuw het huidige gebruik met een persoon als onderwerp.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

jarig* [zijn geboortedag herdenkend] {jarich [van dit jaar, van het laatste jaar, één jaar oud, mondig] 1201-1250} van jaar1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

jarig bnw., eig. ‘een jaar oud zijnd’, vgl. mnl. jârich ‘van dit jaar, een jaar durend’. — Afl. van jaar.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

jarig bnw., mnl. jârich “van dit jaar, één jaar durend, één jaar oud”. Een afl. van jaar, die sedert het Ohd. Mnd. Ofri. voorkomt, met verschill. bett.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

jäörig (bn.) jarig; Vreugmiddelnederlands jarich <1287>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

ja’rig zijn met (was, is geweest), blij zijn met, de koning te rijk zijn met. Als ik mijn kinderen had meegenomen, zouden ze jarig zijn met die boeken* (vrouw die in de wachtkamer van de dokter een stapel tijdschriften ziet liggen). - Etym.: ’Jarig zijn’ geeft een verheugd gevoel. AN ’jarig zijn met’ en ’nog niet jarig zijn met’ = een moeilijkheid hebben met (!).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

jarig ‘zijn geboortedag herdenkend’ -> Fries jierrich ‘zijn geboortedag herdenkend’; Indonesisch yareh, yarig ‘zijn geboortedag herdenkend’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

jarig* zijn geboortedag herdenkend 1714 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut