Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jargon - (groepstaal, vaktaal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

jargon zn. ‘vaktaal, groepstaal’
Mnl. in een volkomen geïsoleerde vindplaats: jn gargoensche tale die niemen dar wale sonder wisselau en vernam ‘in een geheime taal die niemand daar goed verstond behalve Wisselau’ [1291-1300; CG II, Wiss.]. Nnl. het Jargon der Conversatie ‘eenvoudige omgangstaal’ [1811; WNT preek I], jargon ‘lompe taal, gezwets, dieventaal, koeterwaals’ [1824; Weiland], dan ook jargon ‘voor bijzondere bedoelingen gevormde spraak’ [1847; Kramers], er is een bepaald “jargon” bij vele Kantianen [1879; Groene Amsterdammer], ‘voor oningewijden moeilijk verstaanbare vaktaal’ [1926; Koenen].
Ontleend aan Frans jargon ‘Bargoens, koeterwaals, vaktaal’ [ca. 1175; Rey], met varianten gargun, gargon [1180 resp. 1270; Rey]. Verdere herkomst onzeker, maar wrsch. ontstaan uit een klanknabootsende wortel *garg- zoals in gorge ‘keel’, zie ook → gorgelen.
In het Nederlands van de 19e eeuw is de Franse uitspraak van de j nog gebruikelijk, zoals Kramers (1847) en het WNT (in 1913) nog signaleren, maar tegenwoordig hanteert men de spellinguitspraak. Het huidige Franse woord jargon ‘onbegrijpelijke en/of onbeschaafde taal’ is een algemeen begrip; in het Nederlands gaat jargon altijd vergezeld, al dan niet expliciet, van een bepaling van een bepaalde groep taalgebruikers. In de 19e eeuw en in de oudere attestaties uit de 20e eeuw heeft het woord meestal minachtende connotaties, maar tegenwoordig komt jargon ook voor als volkomen neutrale aanduiding voor een groeps- of vaktaal.
Jargon heeft grote overeenkomst in betekenis en ten dele ook in vorm met argot en Bargoens. Deze woorden betekenen alle drie ‘dieventaal’ of betekenden dat ooit; alle drie bevatten de klankenreeks -arg- gevolgd door een ronde achterklinker. Jargon en argot komen uit het Frans, van → Bargoens is dat niet zeker. De etymologie van al deze woorden is zeer onduidelijk. Argot, oorspronkelijk ‘dievengilde, penose’, is in het Frans in de plaats gekomen van jargon, maar een etymologisch verband tussen beide woorden is nooit aangetoond. Wellicht ook zijn deze namen voor vaak met opzet duister gehouden dieventaal soms door bewuste manipulatie tot stand gekomen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

jargon1 [groepstaal, vaktaal] {1824} < frans jargon < oudfrans gargon, jargoun [gesjilp]; de etymologie is onzeker, vermoedelijk uiteindelijk klanknabootsend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

jargon znw. o. ‘koeterwaals, brabbeltaal’ < fra. jargon (sedert de 12de eeuw) ‘gezwets, gemurmel’ (sedert de 15de eeuw) ‘geheimtaal der boeven’ < gallo-romaans *gargone ‘getjilp, gezwets’. — Sedert overgenomen in nl. en hd. zowel in de zin van ‘brabbeltaal’ als in die van ‘kringtaal’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

jargon s.nw.
1. Knoeitaal of brabbeltaal. 2. Taal van bepaalde groepe, of onverstaanbare vaktaal.
Uit Eng. jargon (1643 in bet. 1, 1704 in bet. 2).
Eng. jargon uit Fr. jargon (1426) wat oorspr. 'gebrabbel' beteken het. Die woord is wsk. die resultaat van klanknabootsing.
Ndl. jargon (1824 in bet. 1).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

jargon I: “brabbelt., knoeit., moeilik verstaanbare taal” (WAT); Ndl. en Eng. (blb. sedert 17e eeu) uit Fr. jargon (Ofr. jargon/gargon, “gesnater v. voëls”), dus mntl. kn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

jargon ‘groepstaal, vaktaal’ -> Indonesisch jargon, yargon ‘groepstaal, vaktaal’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

jargon groepstaal, vaktaal 1824 [WEI] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut