Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

januari - (eerste maand van het jaar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

januari zn. ‘eerste maand van het jaar’
Mnl. ten eersten daghe in januare dat wi tbeghin noemen van den jare ‘op de eerste dag in januari zoals wij het begin van het jaar noemen’ [1285; CG II, Rijmb.]; nnl. Januari [1773; Marin].
Ontleend aan de Latijnse maandnaam iānuārius, een gesubstantiveerd bn. uit mēnsis iānuārius ‘Janusmaand’. Iānus, letterlijk ‘doorgang’, was de naam van de god van deuren en stadspoorten, van de in- en de uitgang, van de overgang van het oude naar het nieuwe etc. Zie ook → januskop. Januari en → februari werden in de 7e eeuw v. Chr. aan de vroeg-Romeinse tienmaandige kalender toegevoegd en wel achteraan. Januari was echter de eerste maand na de winterse zonnewende en stond dus toch enigszins voor een natuurlijk begin; later lieten de Romeinen de hele kalender dus bij deze maand beginnen.
De Latijnse maandnamen op -ius werden in het Vroegnieuwnederlands veelal nog op Latijnse wijze verbogen: datief (in) Januario, genitief (den tienden) Januarii. De genitiefvorm, in het Nederlands meestal geschreven als Januarij of January, werd later opgevat als het onverbogen Nederlands woord. De spelling Januari komt al in de 18e eeuw voor, maar verschijnt pas in de tweede helft van de 19e eeuw op grotere schaal in de woordenboeken [1864; Calisch]. Vanaf 1954 (WL) worden de maandnamen zonder hoofdletter gespeld.
In het Nederlands bestond voor januari de oudere naam louwmaand. De oorsprong van het eerste lid is niet helemaal zeker, maar algemeen wordt aangenomen dat het de stam is van het werkwoord louwen, nevenvorm van → looien. De maandnaam sluit dan aan bij die van → november, slachtmaand, en de duur die het looiingsproces ongeveer inneemt. Het eerste lid verschijnt in allerlei vormen in de Middelnederlandse vindplaatsen, omdat de betekenis ervan wrsch. niet altijd meer werd begrepen: loumaent [1270; CG I, 143], laumaent [1280; CG I, 459], lochmaent [1293; CG I, 1859], loymaent [1294; CG I, 1975], laudmaent [begin 15e eeuw; MNW], lodemaent [1450-1500; MNW], loeymaent [1469; MNW], leumaent [ca. 1483; MNW]; de oudste, lo mant [1240; Bern.], wordt daar abusievelijk gegeven als vertaling van Latijn februarius.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

januari [eerste maand] {ianuarium 1050, die Maend van Januariuse 1293, ianuario 1320} < latijn (mensis) Ianuarius, mensis [maand], Ianuarius [van, gewijd aan Janus]; Janus was de god van doorgangen, poorten en deuropeningen en in het algemeen van alle begin, ook van het begin van het nieuwe jaar. Januari ontbrak, evenals februari, in de oorspronkelijke kalender van tien maanden; bij de overgang op een indeling van het jaar in twaalf maanden - toegeschreven aan koning Numa (715-673 v. Chr.) - werd januari als elfde maand toegevoegd, februari als twaalfde; het jaar begon dus met maart. Eerst sinds 153 v. Chr. geldt januari als de eerste maand, februari als de tweede maand van het jaar; de oude telling vindt men terug in de naam van de maanden september tot en met december.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

januari

Bij de Romeinen begon aanvankelijk het jaar op 1 maart. Toen was dus september de zevende maand, october de achtste, november de negende en december de tiende. Zij zijn gewoon genoemd naar de telwoorden septem, octo, novem en decem. Later werd januari de eerste maand, genoemd naar de god Janus, de god van deuren en poorten. Iedere deur, zou men kunnen zeggen, kijkt naar binnen en naar buiten. Daarom werd Janus met twee gezichten afgebeeld. Daarom ook kon oorspronkelijk geen tempel aan hem worden gewijd, alleen een doorgang. Voorts is Janus de god van elk begin, het begin van het jaar, van de maand, van de dag en van het mensenleven. Men beeldde Janus dan ook af met een sleutel in de hand. Hij opent de toegang tot alles wat nieuw is, dus ook tot het nieuwe jaar.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

januari znw. m. < lat. Januarius, genoemd naar de god Janus.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

juli znw. Oorspr. gen. enk. van lat. Jûlius, evenzoo Januari, Juni, Februari van Jânuârius, Jûnius, Februârius. NB. In data staat de maandnaam in ’t Lat. in den gen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

Januari m., uit Lat. id., genit. van Januarius, maand van Janus, den god der deuren: Lat. janua = deur.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

jannewarie (zn.) januari; Vreugmiddelnederlands januare <1285> < Latien (mensis) januarius.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

Januarie s.nw.
Eerste maand van die jaar.
Uit Ndl. Januari (1565).
Ndl. Januari uit die Latynse maandnaam Ianuarius 'van of gewy aan Janus' waarvan allerlei wisselvorme, o.a. ianuario, in Mnl. voorkom. Die Romeinse god Janus was die god van openbare deurgange en poorte, asook van 'n nuwe begin in die alg. en meer spesifiek die begin van 'n nuwe jaar. Die woord is in Ndl. in die genitiefsvorm oorgeneem uit Latynse dagtekeninge.
D. Januar, Eng. January.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

januari (Latijn (mensis) Ianuarius)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Januari heeft waarschijnlijk zijn naam ontleend aan den Romeinschen God Janus, aan wien de maand gewijd was. Deze godheid stond bij de Romeinen in hoog aanzien. Oorspronkelijk was Janus de goddelijke beschermer der deuren en werd met twee aangezichten afgebeeld, daar hij beide zijden moest bewaken.
Wijl nu de deur toegang tot het huis geeft, dus de plaats der intrede is, werd Janus later de goddelijke beschermer van elke intrede (of begin), bijv. van de geboorte (als intrede in het leven), de eerste dagen der maand, de eerste morgenuren en ook van de eerste maand des jaars.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Januari, van ’t Lat. Januarius, van Janus, den god der deuren en van de intrede (des jaars, enz.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

januari ‘eerste maand’ -> Indonesisch Januari ‘eerste maand’; Boeginees januâri ‘eerste maand’; Javaans januwari ‘eerste maand’; Madoerees jānuwari ‘eerste maand’; Makassaars januâri ‘eerste maand’; Minangkabaus yunari ‘eerste maand’; Nias yanuari ‘eerste maand’; Soendanees Janwari ‘eerste maand’; Singalees janavāri ‘eerste maand’; Negerhollands januarie ‘eerste maand’; Papiaments yanüari ‘eerste maand’; Sranantongo januari ‘eerste maand’; Tiriyó januari ‘eerste maand’; Sarnami janwári ‘eerste maand’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

januari en de namen voor maanden en dagen. De Nederlanders - of beter de Germanen - hebben van de Romeinen de tijdsindeling op basis van het zonnejaar overgenomen, en de namen van de weekdagen en de maanden geleend uit het Latijn. Van oudsher was het Latijn de taal van de administratie, en dagtekeningen werden dan ook in het Latijn vermeld; de woorden voor die dagtekeningen werden in het Nederlands ontleend. In die gebieden waar het Nederlands later de bestuurstaal werd, heeft het op zijn beurt de namen voor de maanden doorgegeven. Zo hanteerden de Sri Lankanen voor de komst van de Europeanen de boeddhistische of de Saka-jaartelling. Met de overname van de christelijke jaartelling ontleenden ze het woord dātama 'datum' en alle maandnamen aan het Nederlands: janavāri, pebaravāri, mār(a)tu, aprēl/apriyel, mäyi, jūni, jūli, agostu, säptämbara, oktō(m)bara, novämbara, desämbara. Overigens had het Singalees in de Portugese tijd al diverse Portugese leenwoorden overgenomen. Nadat de Nederlanders de Portugezen uit het gebied hadden verdreven, namen de Sri Lankanen niet alleen veel Nederlandse woorden over, ze pasten ook de vorm van een eerder uit het Portugees geleend woord aan het Nederlands aan: veel Nederlandse woorden lijken immers op Portugese. Zo is de naam voor de maand september eerst uit het Portugees geleend en vervolgens aan het Nederlands aangepast. De Singalese vorm luidt namelijk säptämbara met een p, terwijl die p aanvankelijk, net als in het Portugees, ontbrak; vergelijk Portugees setembro. De Nederlandse namen voor de dagen van de week zijn niet overgenomen in het Singalees. De reden is wellicht dat de dagen voor de lokale, agrarische bevolking belangrijker waren dan de maanden, en dat ze daarom al een eigen benaming voor de weekdagen bezaten (de eenheid 'week' heeft het Singalees geleend uit het Portugees als sumānaya).

Ook in Indonesië, de Nederlandse Antillen en Suriname zijn de christelijke jaartelling en de namen voor de maanden door de Nederlanders gebracht. In het Indonesisch luiden de maandnamen: Januari, Fébruari of Pébruari, Maret, April (ook bekend is April mop!), Méi, Juni, Juli, Agustus, Séptémber, Oktober, Novémber, Désémber. In het Indonesisch kwam oorspronkelijk de f niet voor, maar onder invloed van Arabische en Nederlandse leenwoorden wordt de klank steeds vaker gebruikt, waarbij hij bovendien als deftig wordt beschouwd. Daarom is Fébruari het nette woord en Pébruari het volkswoord. Voorts heeft het Indonesisch datum uit het Nederlands geleend. Voor de weekdagen gebruikt men leenwoorden uit het Arabisch: in de vijftiende eeuw kwam de islam naar Indonesië, tegenwoordig is ongeveer negentig procent van de bevolking in naam islamiet. Voor 'zondag' gebruikt men zowel een Arabisch als een Portugees leenwoord. In de Javaanse en Balische kalender bestaat een week uit vijf dagen (marktdagen), en dit wordt gecombineerd met de zevendaagse islamitische/christelijke/joodse week. In het Ambonees zijn twee namen van weekdagen uit het Nederlands geleend, namelijk (hari) Mandak 'maandag' (hari is 'dag') en Sondak 'zondag'; zijn juist deze namen geleend omdat maandag de eerste werkdag is en zondag een rustdag?

In het Papiaments zijn de Nederlandse maandnamen overgenomen als yanüari, febrüari, mart, aprel, mei, yüni, yüli, ougùstùs, sèptèmber, òktober, novèmber, desèmber. De weekdagen worden met Portugese/Spaanse woorden aangeduid, met één uitzondering: 'woensdag' luidt djárason, op Aruba diarazon, diaranzon. In de Woordenlijst der in de landstaal van Curaçao meest gebruikelijke woorden met Zamenspraken uit 1859 wordt dit gespeld als Dia Razon, waardoor de herkomst iets duidelijker wordt. Het betekent namelijk oorspronkelijk 'dag van het rantsoen': op woensdag kregen de slaven hun rantsoen. Het tweede gedeelte van djárason, diarazon zal ontleend zijn aan het Nederlandse rantsoen en niet teruggaan op het Spaanse ración, omdat dan het verdwijnen van de -i- onverklaarbaar is. De ontlening djárason, diarazon zal oud zijn; een jongere ontlening is het Papiamentse rantsun, ransun voor 'rantsoen': de spelling van dit woord ligt dichter bij die van het Nederlands.

In het Sranantongo heten de maanden januari, februari, mart, aprel, mèi, juni, juli, augustus, september, oktober, november, deisèmber. Daarnaast heeft het Sranantongo de meeste namen voor de dagen van de week aan het Nederlands ontleend, namelijk dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag en zaterdag of in aangepaste vorm freida en satra. Naast de Nederlandse leenwoorden kent men ook eigen benamingen, namelijk: tudewroko, dridewroko, fodewroko, letterlijk 'tweede, derde, vierde werkdag' (van Engels day en work), en 'zaterdag' heet ook sabat of sabatdei - ontleend dankzij het feit dat er in Suriname vanaf 1661 joodse gemeenten waren gevestigd. Voor 'maandag' en 'zondag' worden uitsluitend Engelse woorden gebruikt: munde en sunde. Tot slot is het woord 'jaar' uit het Nederlands geleend als yari.

In het Japans is slechts één dagnaam geleend, namelijk dontaku. Dit woord gaat terug op het Nederlandse zondag, maar betekent in het Japans 'vrije dag'. Momenteel wordt het woord nog maar zelden gebruikt, behalve in Japanse dialecten. Daarnaast bestaat handon, letterlijk 'halve zon(dag)'; in het Japans geeft men hiermee een halve vrije dag aan: een vrije middag of zaterdag. Handon is een samenstelling van een Japans woord han 'half' en het eerste gedeelte van dontaku.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

januari eerste maand 1293 [CG I3, 1849] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut