Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jaloers - (afgunstig, benijdend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

jaloers bn. ‘afgunstig, benijdend’
Mnl. hoe die jalouse dorper quaet sijn wijf versprect ende hoe hise slaet ‘hoe de jaloerse, kwade dorpeling zijn vrouw berispt en hoe hij haar slaat’ [1290-1310; MNW-R], ook al vroeg met -r-: ialours [1350-1400; MNW-R].
Ontleend aan Frans jaloux ‘afgunstig’ [1250; Rey], dat teruggaat op Laatlatijn zelosus ‘liefdevol en attent’, afleiding van zelus dat is ontleend aan Grieks zẽlos ‘geestdrift, afgunst, naijver’, zie → zeloot. Gewoonlijk wordt Latijn -osus > Frans -eux; de uitgang -oux berust op analogie met het zn. jalousie ; omdat jaloers een typisch troubadourswoord is, is het ook mogelijk dat het is ontleend via het Provençaals, waar -osus wel -oux werd.
De -r- in het Nederlandse woord is opmerkelijk. Dat deze zou teruggaan op een Franse gewestelijke vorm met -r- (FvW, WNT) lijkt niet aannemelijk: noch in het Oudfrans of Oudpicardisch, noch in andere ontlenende talen is een spoor van zo'n -r- te vinden, ook niet in het zn. jaloezie en de parallellen daarvan. Wrsch. is de -r- hypercorrect ingevoegd naar analogie van woorden op -oers, -ours; in die woorden ontbreekt in Middelnederlandse teksten vaak de -r-, wat wijst op zwakke articulatie of zelfs assimilatie aan de -s, zodat er in de uitspraak geen verschil was tussen -oes, -ous, en -oers, -ours (FvWS).
jaloezie 1 zn. ‘afgunst, nijd’. Mnl. jalosie [1300-50; MNW-R]. Ontleend aan Oudfrans jalosie ‘minnenijd’ [1181-91; Rey] (Nieuwfrans jalousie), later ook algemener ‘afgunst’, afgeleid van het bn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

jaloers [naijverig] {jaloes 1300, ialours 1555} < oudfrans jaloux < middeleeuws latijn zelosus [idem], van latijn zelus [(wed)ijver, naijver, jaloezie] < grieks zèlos [idem] (vgl. zelateur, zeloot).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

jaloers bnw., mnl. jaloes, jalous, jalours < fra. jalous < lat. zelosus ‘ijverzuchtig’. — De vorm jaloers zal te beoordelen zijn als floers en wel als een hypercorrecte spelling.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

jaloersch bnw., mnl. jaloes, jalous, jaloers. Uit ofr. jalous (fr. jaloux; uit lat. zelôsus, van zêlus, gr. zẽlos “ijver”), evenzoo eng. jealous “jaloersch”. De ndl. r-vorm is òf eerst ndl. òf hij gaat op een ofr. *jalours terug. Vgl. floers.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

jaloers[ch]. Over de r zie bij floers Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

jaloersch bijv., uit Ofra. jalours (thans jaloux), Mlat. zelosum (-us), adj. van zelus, Gr. zẽlos = ijver, nijd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zjeloes (bn.) jaloers; Middelnederlands jalous <1350-1400> < Frans jaloux.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

zjeloes, sjeloe(r)s, bn.: jaloers, afgunstig. Ook Vl. en Br. jaloes, zeloes. Zonder r ook nog in Mnl. jaloes, jalous < Ofr. jaloux < Mlat. zelosus, afl. van zelus ‘wedijver, naijver’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

jaloes, zeloes, bn.: jaloers, afgunstig. Zonder r ook nog in Mnl. jaloes, jalous < Ofr. jaloux < Mlat. zelosus, afl. van zelus ‘wedijver, naijver’.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

janloers b.nw. (geselstaal)
Jaloers.
Met invoeging van 'n n uit jaloers, wsk. met die bygedagte aan die eienaam Jan as verwysing na iemand wat dié eienskap getoon het. Na aanleiding hiervan ontstaan ook idiome soos Jan se baadjie aanhê, wat 'jaloers' beteken.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

sjaloes, djaloes bn.: jaloers, afgunstig. Zonder r ook nog in Mnl. jaloes, jalous < Ofr. jaloux < Mlat. zelosus, afl. van zelus ‘wedijver, naijver’. Ook wel met hypercorrecte r sjaloers, wellicht onder invloed van het Nederlands.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

jaloers: – (volkset.) janloers –, “afgunstig”, ens.; Ndl. jaloers(ch) (Mnl. jaloes/jalous/jalours, lg. m. r, soos floers, wsk. hiperk. vorm), soos Eng. jealous uit Ofr. jalous (Fr. jaloux) uit Lat. zelosus uit Gr. zêlos, “ywer”, v. ook jantjie.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

jaloers (Oudfrans jalous)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Jaloersch uit ’t Oudfr., jalours (thans jaloux) van ’t Lat. zelus = ijver, naijver.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

jaloers ‘naijverig’ -> Fries jaloersk ‘naijverig’; Indonesisch jelus ‘naijverig’; Ambons-Maleis panjalus, jalus ‘naijverig’;? Jakartaans-Maleis jelus ‘naijverig’; Javaans dialect jalus ‘naijverig’; Kupang-Maleis julus ‘naijverig’; Menadonees julus ‘naijverig’; Ternataans-Maleis julus ‘naijverig’; Petjoh djeloes ‘naijverig’ ; Berbice-Nederlands jalusu ‘naijverig’; Papiaments yalus (ouder: jaloers) ‘naijverig; naijverigheid’; Sranantongo djarusu ‘naijverig’; Saramakkaans djalúsu ‘naijverig’ ; Surinaams-Javaans jalusu ‘naijverig, afgunstig’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

jaloers naijverig 1300 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal