Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jager - (iemand die of iets dat jaagt; snelvarend schip; linnen stagzeil, bevestigd aan het jaaghout aan de

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

jagen ww. ‘achtervolgen om buit te maken’
Mnl. jaghen ‘achtervolgen’ [iagen 1240; Bern.], als jachonde ... beesten jaghen in dat wout ‘zoals jachthonden op dieren jagen in het bos’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], wat si willen ende jaghen ‘wat zij willen en nastreven’ [ca. 1330; MNW]; vnnl. hij joegh ‘hij maakte jacht op (vossen)’ [1620; WNT].
Alleen continentaal West-Germaans: mnd. jāgen (waaruit on. jaga (nzw. jaga)); ohd. jagōn (nhd. jagen); ofri. jagia (nfri. jeie); < pgm. *jagōn-. Zie ook de afleiding → jacht 1.
Buiten het Germaans geen zekere verwanten. Alle voorgestelde verbanden, bijv. met Sanskrit yahú, yahvī ‘rusteloos’, Avestisch yās- ‘verlangen’, zijn zeer twijfelachtig en de verdere etymologie is dan ook onduidelijk. Herkomst uit een lokale voor-Indo-Europese taal valt niet uit te sluiten.
Oorspr. is jagen een zwak werkwoord, zoals nog te zien is aan het verl.deelw. gejaagd. De verleden tijd joeg, joegen verschijnt voor het eerst in het Vroegnieuwnederlands.
ln het Middelnederlands is jaghen reeds zowel overgankelijk ‘vervolgen, jacht maken op’ als onovergankelijk ‘op jacht zijn’. Er bestaan ook al diverse metaforische betekenissen, zoals ‘zich haasten’, ‘streven naar’, ‘voortjagen (door de wind)’.
jager zn. ‘persoon die jaagt’. Onl. jagere ‘jager’ [10e eeuw; W.Ps.]. Afleiding van jagen met het achtervoegsel -er, zie → -aar. ♦ gejaagd bn. ‘haastig, onrustig, angstig’. Nnl. eerst nog letterlijk of bijna letterlijk, zoals in ontsteld als een gejaagd hart (‘hert’) [1717; Marin], het vlugtende wild, dat, met een gejaagde schuwheid ... uit het bosch komt snellen [1788; WNT], dan overdrachtelijk: ik was dien geheelen dag ... zo beangst, gejaagd [1793; WNT], sprak zoo zacht en zoo gejaagd, of hij vreesde, dat ... [1866; WNT]. Verl.deelw. van jagen, gebruikt als bn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

jeger (zn.) jager; Aajdnederlands jagere <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

ja’ger (de, -s), (ook, veroud. (?):) syn. van bruine bosspin*: z.a. Zie je daar iets bewegen, Kodjo? fluisterde meneer Bos. - Ja meneri... een jager, mompelde de bosnegerjongen, want zo noemen ze in Suriname de gevaarlijke vogelspin (Tarantula) (Butner 1961: 5). - Etym.: Oudste vindpl. Hartsinck 1770: 106, maar het is niet zeker dat op die plaats dit dier bedoeld wordt. - Syn. ook krabspin*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

jagter: iemand wat wild jag; Ndl. jager, maar by vRieb jagtsvolk, m.a.w. verb. m. Ndl. jacht en Afr. jagten (by Trig), vgl. jag II.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

jagertje In 1839 voor het eerst gevonden, in Schiedam. P.J. Harrebomée nam deze borrelnaam in 1874 op in een verzameling spreekwoorden over drank en dronkenschap. Hij gaf als verklaring: ‘De jager heeft zijn veldfleschje; daarom heet de borrel zoo.’ Omdat jagers meenden dat ze na een neutje beter konden mikken, noemden ze jenever ook wel viseerwater. De Engelsen kennen de uitdrukking to hunt a tavern fox ‘op een kroegvos jagen’, voor ‘zwaar drinken, dronken worden’.

[Herroem 3]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

jager ‘iemand die of iets dat jaagt; snelvarend schip; linnen stagzeil, bevestigd aan het jaaghout aan de jagerleider’ -> Fries jager ‘iemand die of iets dat jaagt; snelvarend schip; linnen stagzeil, bevestigd aan het jaaghout aan de jagerleider’; Engels † jagger ‘haringjager’; Duits Jäger ‘(Nederlands) haringschip’; Deens jæger ‘iemand die op jacht gaat, type soldaat, iemand die een koning assisteert’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens jager ‘klein, snel zeilschip; het voorste zeil op de boegspriet’; Noors jeger ‘iemand die op jacht gaat’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors jager ‘driehoekig zeil vóór de kluiver’; Zweeds jägare ‘iemand die op jacht gaat’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins jääkäri ‘iemand die jaagt’ ; Javaans jager ‘type soldaat’; Soendanees jagĕr ‘inlandse militairen’; Papiaments † jager ‘iemand die op jacht gaat’; Arowaks jagernu ‘iemand die jaagt’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut