Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jachten - (wild opdrijven)

Etymologische (standaard)werken

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

jachten ww., sedert Kil. Vgl. mnd. jachtern “wild rondspringen, elkaar nazitten”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

jakkeren. Ook rijnl. jackern. — Dial. jakken is een typische intensiefformatie bij jagen. Over de geminaat, resp. verscherpte consonant zie bij drop I, drup Suppl., over de hypothese van een idg. -nâ-verbum vgl. bakken Suppl. 1e alin. Bij nhd. jachern ‘wild rondlopen, schreeuwen’, mnd. jachtern (zie jachten) sluiten zich aan oostndl. dialectwoorden als joechteren, juchteren ‘wild rondlopen, jakkeren, luidruchtig stoeien’. Voor het grillig vocalisme van deze jonge, onomatopoëtisch gevoelde woorden vgl. de aan het slot van het art. genoemde mhd. vroeg-nhd. woorden voor ‘jagen, drijven’.

Hosted by Meertens Instituut