Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jacht - (het jagen; pleziervaartuig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

jacht 1 zn. ‘het jagen’
Mnl. iaecht ‘het jagen’ [1240; Bern.], iacht [1285; CG II, Rijmb.], jacht, jaecht, jaget.
Afleiding van het werkwoord → jagen.
Mnd. jacht (waaruit nzw. jakt); ohd. jagōd (mhd. jagat, jagit, jaget, nhd. Jagd); < pgm. *jagōþ- (alleen continentaal West-Germaans), gevormd met het achtervoegsel *-ōþ- bij het werkwoord *jagōn- (eveneens alleen continentaal West-Germaans).
Al in het Middelnederlands gebruikt men jacht als abstract zn. bij alle betekenissen van het werkwoord. Voor de betekenis ‘haast, spoed’ zie ook → jacht 2.

jacht 2 zn. ‘pleziervaartuig’
Vnnl. jacht ‘snelzeilend zeeschip’, het eerst in een Franstalige tekst uit Middelburg: deux ou trois batteaulx nommez jachtes pour envoyer journellement en mer tant pour faire le guet, comme aussie pour savoir des nouvelles des navires de guerre qui sont en mer ‘twee of drie schepen, die men jachten noemt en die men dagelijks de zee op stuurt voor verkenningen of het overbrengen van berichten van de op zee varende oorlogsschepen’ [1528; van der Meulen 1953b], jachten ‘kleine oorlogsschepen’ [1547; van der Meulen 1953b], iaght-schip, iaghte ‘klein oorlogsschip’ [1599; Kil.], dan ook jacht ‘luxueus vaartuig voor hoogwaardigheidsbekleders’ in syn Excie ... sondt zijn jachte de Mase aff [1602; WNT], speeljaght ‘pleziervaartuig’ [1625; WNT spoeden], jaght ‘id.’ [1642; WNT], nnl. jacht.
Dat dit een rechtstreekse betekenisuitbreiding is van → jacht 1 in de betekenis ‘haast, spoed’ is semantisch niet erg aannemelijk. Het ligt meer voor de hand dat het woord een verkorting is van de samenstelling jachtschip, dat weliswaar later geattesteerd is. Jachtschip moet zijn gevormd uit → schip en de stam van het werkwoord jachten ‘zich snel voortbewegen, haasten’, oudste vindplaats iaghten [1599; Kil.], een verouderde afleiding van jacht ‘haast, spoed’. Vergelijkbare samenstellingen komen ook voor met de stam van → jagen: vnnl. iachwaghens ‘(bepaalde) snelle, lichte voertuigen’ [1500-36; MNW jagewagen].
Ook mnd. jageschip en vnhd. Jagschiff [1561; Grimm].
De snelheid waaraan het jacht(schip) zijn naam te danken heeft, maakte deze schepen uitermate geschikt als gevechtsschip in binnen- en buitenwateren, maar vooral ook als vervoermiddel voor vorsten en overheidsdienaars. In de 17e eeuw begonnen vooral de (rijke) Amsterdammers voor hun plezier speeljachten te gebruiken, binnen en buiten Amsterdam.
In zowel de oude als de jongere betekenissen is het Nederlandse woord in diverse talen ontleend: Hoogduits jachtschiff ‘snel oorlogsvaartuig’ [16e eeuw; Kluge21], jacht (v.) ‘id.’ [1523; Kluge21], alleen nog Jacht (v.) ‘pleziervaartuig’ [1809; Grimm], recent onder invloed van het Engels ook Yacht. Voorts Engels yeaghe ‘snel oorlogsvaartuig’ [1557; OED], yoathes (mv.) ‘jacht voor hoogwaardigheidsbekleders’ [1613; OED], little yatches and boats ‘kleine pleziervaartuigen en boten’ [1790; OED]. De vele spellingvarianten zijn het gevolg van de ongewone eindklank van het Nederlandse woord; vanaf de 19e eeuw overheerst de moderne vorm yacht. Ook Frans iachtes, yachts, jachtes (mv.) ‘snel oorlogsvaartuig’ [1570-72; TLF], later via het Engels yacht ‘pleziervaartuig’ [1831; TLF] met Engelse uitspraak /jot/. Verder o.a. Spaans yate, Portugees (h)iate, Russisch jáchta [1720; Vasmer], Arabisch yaḵt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

jacht* [het vervolgen van dieren, vaartuig] {jacht, jaget [het jagen] 1201-1250; de betekenis ‘vaartuig’ 1528} van jagen als dracht bij dragen; de scheepsbenaming is hiermee identiek (jacht betekent niet alleen het jagen, maar ook snelheid).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

jacht

Het woord jacht betekent zowel: het jagen als: snelzeilend schip. In het laatste geval is de betekenis zoals men dat noemt ‘verdicht’, dat wil zeggen dat het woord oorspronkelijk luidde: jachtschip, waarvan het tweede deel is weggelaten, terwijl het eerste de betekenis van het geheel kreeg. Zo spreekt men van een buiten voor een buitenplaats, van port voor portwijn, van vloei voor vloeipapier enz. Een jacht of jachtschip is dus eigenlijk een schip waarmee men jaagt. Het Engelse yacht, uitgesproken: jot, is aan het Nederlands ontleend. Van jacht is weer een werkwoord jachten afgeleid dat betekent: zich haasten, maar ook: tot haast aansporen. Men zegt: je moet me niet zo jachten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

jacht 1 znw. v., ‘het jagen’, mnl. jacht, jaghet, jachte, mnd. jacht, mhd. jaget. — Verbaalabstract met suffix -iþō van jagen.

jacht 2 znw. o., ‘snelvarend schip’ (sedert 1528 bekend, zie R. van der Meulen Ts. 71, 1953, 285-297) is hetzelfde woord als jacht 1. In het mnl. heette zulk een vaartuig jageschip. — > nhd. jacht, yacht, ne. yacht (sedert 1557), de. jagt, zw. jakt, fra. yacht, spa. yate, port. hiate, iate, russ. jáchta.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

jacht znw., mnl. jacht (jāghet, jachte) v. “het jagen, vervolgen, streven, vaart”. = mhd. jaget o. m. (md. v.), jagât v. (nhd. jagd), mnd. jacht v. “het jagen, jacht” (ook overdr.). Abstractum van jagen. — ’t Zelfde woord is Kil. jaght, jaghte (verkort uit Kil. jaghtschip? nnl. jacht o.) = ndd. jacht (sedert 1538). Vgl. mnd. jāgeschip o. “jachtschip, snelvarend schip”. Uit het Ndl.-Ndd. hd. jacht v., eng. yacht, de. jagt “jacht”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

jacht 1 v. (het jagen), + Hgd. jagd: van jagen, gelijk dracht van dragen.

jacht 2 o. (vaartuig), d.i. jachtschip = snelschip; hieruit Eng. yacht.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

jach (zn.) jacht, het jagen; Vreugmiddelnederlands iaecht <1240>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

jag I: s.nw., “agtervolging v. wild”, ens.; Ndl. jacht (Mnl. jacht(e)/ jaghet), Hd. jagd, hou verb. m. Ndl. jagen, Afr. jaag (q.v.), by WAT s. v. jag1 II.

jag III: s.nw., bep. tipe seilvaartuig (veral 16e-17e eeu); Ndl. jacht (by Kil jaght(e) uit jaghtschip – dies. wd. as jag I), Hd. jacht/yacht, Eng. yacht, Fr. yacht, Sp. yate, Port (h)iate, by WAT s.v. jag2.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Jacht van jagen, als dracht van dragen, klacht van klagen. Ook bet. het: jachtschip, snelschip, dat ’t Eng. als yacht overnam en vandaar uit weer in onze taal als yacht terug komt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

jacht ‘het bejagen van dieren’ -> Deens jagt ‘het bejagen van dieren’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors jakt ‘het bejagen van dieren’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds jakt ‘het bejagen van dieren’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins jahti ‘het bejagen van dieren’ ; Ests jaht ‘het bejagen van dieren’ (uit Nederlands of Duits); Zuid-Afrikaans-Engels jag ‘het bejagen van dieren’ ; Zoeloe umjaho ‘het bejagen van dieren’ ; Negerhollands jaak, jak, jāk ‘het bejagen van dieren’.

jacht ‘vaartuig’ -> Engels yacht ‘vaartuig’; Duits Jacht, Yacht ‘(oorspr.) klein schip met twee masten zonder ra's; (modern) schip voor recreatie, voortgedreven met zeil of motor’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Oost-Jiddisch jachtn, jachtes ‘zeil-, motor-, plezierjacht’ ; Deens yacht ‘plezierboot’ ; Deens jagt ‘vaartuig’; Noors jakt ‘vaartuig’; Noors yacht ‘vaartuig’ ; Zweeds jakt ‘vaartuig’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds yacht ‘vaartuig’ ; Fins jahti ‘snelle plezierboot, wedstrijdboot’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests jaht ‘vaartuig’ ; Frans yacht ‘plezierboot’ ; Italiaans yacht ‘vaartuig’ ; Spaans yate ‘(zeil)jacht’ ; Portugees iate ‘klein schip met twee masten zonder ra's; pleziervaartuig’; Roemeens iaht ‘vaartuig’; Tsjechisch jachta ‘vaartuig geschikt voor sport en recreatie’ ; Slowaaks jachta ‘vaartuig geschikt voor sport en recreatie’ ; Pools jacht ‘vaartuig’ ; Kroatisch jahta ‘vaartuig geschikt voor sport en recreatie’ ; Macedonisch jahta ‘vaartuig’ ; Servisch jahta ‘vaartuig geschikt voor recreatie en toerisme’ ; Sloveens jahta ‘vaartuig geschikt voor sport en recreatie’; Russisch jáchta ‘eenmastig snelzeilend vaartuig’; Bulgaars jachta ‘vaartuig geschikt voor sport en recreatie’ ; Oekraïens jáchta ‘eenmastig snelzeilend vaartuig’ ; Wit-Russisch jáchta ‘eenmastig snelzeilend vaartuig’ ; Azeri yaxta ‘vaartuig’ ; Lets jahta ‘vaartuig geschikt voor sport en recreatie’ ; Litouws jachta ‘vaartuig’ ; Hongaars jacht ‘vaartuig’ ; Grieks giōt /jot/ ‘vaartuig’ ; Maltees jott ‘vaartuig’ ; Esperanto jakto ‘lichte zeilboot, pleziervaartuig’ ; Turks yat ‘vaartuig’ ; Koerdisch yat ‘vaartuig’ ; Arabisch (MSA) yaxt ‘vaartuig’ ; Arabisch (Egyptisch) yaxt ‘vaartuig’ .

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

jacht. In 1528 kwam in het Nederlands voor het eerst het woord jacht voor in de betekenis 'snelzeilend zeeschip'. Volgens sommigen is het schip zo genoemd door betekenisuitbreiding van jacht 'snelheid, haast, spoed' (genoteerd sinds de veertiende eeuw), volgens anderen gaat het om een verkorting van jachtschip, dat zou zijn samengesteld uit het werkwoord jachten 'zich snel voortbewegen, haasten' en schip. Hoewel die laatste verklaring waarschijnlijker lijkt, is ze problematisch omdat het woord jachtschip veel later is genoteerd dan jacht: jachtschip wordt voor het eerst vermeld, als synoniem van jacht, in het Nederlandse etymologische woordenboek van Cornelis Kiliaan uit 1599: iaght-schip, iaghte 'klein oorlogsschip'. En ook het werkwoord iaghten 'zich snel voortbewegen, haasten' wordt bij hem voor het eerst genoemd, waardoor het toch waarschijnlijker lijkt dat jachtschip een afleiding is van jacht 'snelzeilend zeeschip', wat dan een betekenisuitbreiding is van jacht 'snelheid'. Daar komt bij dat de oudste verklaringen van jacht 'schip' alle het verband leggen met de snelheid ervan: in 1567 wordt het woord iachte in het Frans verklaard als bateau de coursaire (van course 'snelle loop, wedren') en in 1599 wordt jacht in het Latijn verklaard als navis [...] incredibilis celeritatis 'ongelooflijk snel schip'. De ervaring leert dat contemporaine woordverklaringen vaak correct zijn, omdat men zich op dat moment heel goed realiseert hoe nieuwe woorden zijn gevormd.

Het snelle vaartuig, dat eerst als oorlogsschip werd gebruikt maar al snel de functie kreeg van pleziervaartuig voor hoogwaardigheidsbekleders, werd ook in andere landen onmiddellijk geapprecieerd. Het Nederlandse woord werd dan ook in diverse talen overgenomen: het Duits kent Jacht volgens de Seemanssprache van Kluge sinds 1538, terwijl Hermann Paul in zijn Deutsches Wörterbuch al een datering van 1521 geeft - eerder dus dan het Nederlandse woord! (De spelling van het woord bewijst overigens dat het om een Nederlands leenwoord gaat: de Duitse tegenhanger van het Nederlandse jacht 'het jagen, de haast' luidt namelijk Jagd.) In het Duits komt de samenstelling Jagschiff voor in 1561, en wordt begin zeventiende eeuw de vorm Jachtschiff genoemd. Ook hier dus is de vorm Jacht ouder dan de met Schiff samengestelde vormen.

Vanaf 1557 kwam in het Engels yacht 'pleziervaartuig' voor, aanvankelijk op vele manieren gespeld (bijvoorbeeld yeaghes, yoathes, yaught), omdat de eindklank voor het Engels ongebruikelijk is: kennelijk werd het woord deels op de klank overgenomen. Tegenwoordig wordt met yacht een 'plezierjacht, motorjacht, wedstrijdjacht' aangeduid.

Het woord is zowel door het Nederlands als door het Engels verbreid naar andere talen, waarbij de Engelse vorm soms de oudere Nederlandse heeft verdrongen. Dat is bijvoorbeeld het geval in het Frans, waar in 1570 de Nederlandse vorm iachte werd overgenomen. In de zeventiende eeuw werd de Engelse vorm yacht met de Engelse uitspraak /jot/ in de militaire taal verbreid. Die vorm en uitspraak kent het moderne Frans nog steeds, terwijl het oude Nederlandse leenwoord inmiddels is verdwenen. Ook in het Italiaans zijn de oudere, rechtstreeks aan het Nederlands ontleende vormen iakt, iacht (vanaf 1674) verdrongen door de Engelse vorm yacht, die voor het eerst in 1802 is genoteerd. Uit de datering blijkt dat de Portugese naam iate rechtstreeks is geleend uit het Nederlands: in 1640 werd geschreven over yathes de Amsterdama. Daarentegen zal de Spaanse vorm yate, die pas in 1850 is overgenomen, teruggaan op het Engels. In zowel het Portugees als het Spaans is de moeilijk uitspreekbare eindklank -cht vereenvoudigd. Het Deens heeft zowel de Nederlandse vorm jagt als de Engelse vorm yacht geleend. Het Noors en Zweeds gebruiken de Engelse vorm yacht 'pleziervaartuig, zeiljacht, moterjacht' (het Zweeds sinds 1883); het Noors kent daarnaast ook jakt 'zeilboot met één mast', ontleend aan het Nederlands of Middelnederduits. Zelfs in het Arabisch is het woord bekend, opnieuw via het Engels, als yakt. En in het Grieks tot slot noemt men zowel een zeil- als een motorjacht giōt, uitgesproken als /jot/.

Het Russische jachta is rechtstreeks uit het Nederlands geleend. Het werd al in 1667 vermeld, maar het is vooral bekend geworden dankzij Peter de Grote, van wie de negentiende-eeuwse geschiedschrijver J. Scheltema vertelt:

Gezien hebbende hoeveel invloed het houden van pleiziervaartuigen in Holland had op den volksgeest, ter bevordering van de zucht voor het reeden in schepen, en van de belangstelling in de zeevaart, beproefde hij [Peter de Grote] ook zijne uiterste kracht, om den lust hiervoor te Petersburg op te wekken. Hij liet aldaar in den jare 1718 eene werf aanleggen, geschikt tot den bouw van boeijers, jagten en andere kleine vaartuigen voor vermaak.

Uit het Russisch hebben het Oekraïens, Wit-Russisch en Bulgaars het woord jachta geleend. In diezelfde vorm, maar dan uit het Duits, hebben het Macedonisch, Kroatisch, Servisch en Tsjechisch het woord overgenomen; eveneens uit het Duits zijn het Poolse jacht, het Estse jaht, het Letse jahta en het Litouwse jachtà geleend. Het Kroatisch kent bovendien de vorm yacht, ontleend aan het Engels.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

jacht* het vervolgen van dieren 1240 [Bern.]

jacht* vaartuig 1528 [Toll.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut