Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ja - (tussenwerpsel ter bevestiging of instemming)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ja tw. ter bevestiging of instemming
Mnl. mer hine seide nien noch ia ‘maar hij zei nee noch ja’ [1220-40; CG II, Aiol], ia ‘ja’ [1240; Bern.], ja sprac ioseph ‘Ja, zei Jozef’ [1285; CG II, Rijmb.].
Os. (mnd. ja); ohd. (nhd. ja); ofri. , (nfri. ja); oe. gēa (ne. yea, naast yes uit oe. gīse, gēse, wrsch. uit *gēa sī ‘ja, het zij (zo)’ of uit *gēsē ‘ja die’); on. (nzw. ja); got. ja, jai; < pgm. *ja.
Algemeen Germaans partikel waarvan de verdere etymologie onduidelijk is. Er zijn geen zekere Indo-Europese verwanten, behalve misschien Latijn iam ‘reeds, nu’, waaruit o.a. Catalaans ja, Oudfrans ja, waarbij Nieuwfrans déjà ‘reeds’ en jamais ‘ooit’. Misschien zijn de Latijnse en Germaanse woorden afgeleid van de voornaamwoordelijke stam pie. *h1e zoals in bijv.hij en → gene (IEW 285). Er is in de Indo-Europese talen een grote verscheidenheid aan niet direct met elkaar verwante woordvormen voor een bevestigend tussenwerpsel ‘ja’, bijv. Latijn ita, Spaans/Italiaans si (ook Frans si ‘jawel’), Frans oui, Grieks naí, Lets , Litouws taip, Russisch da, Pools tak, Tsjechisch ano, Welsh ie, Albanees po. Dat wijst erop dat zulke woorden relatief instabiel zijn. Ook de Germaanse woordgroep, die overigens in vergelijking hiermee opvallend stabiel is gebleven, zal dus wellciht niet zo oud zijn en niet direct op een algemene Indo-Europese constructie zijn terug te voeren. Misschien zijn het klankwoorden.
In het Middelnederlands heeft ja ook de bijwoordelijke betekenissen ‘zelfs’, zoals in hi heftene meneh jar gehaedt. ja meer dan toter doet ‘hij heeft hem menig jaar gehaat, zelfs meer dan dodelijk’ [1260-80; CG II, Wr.Rag.]; ‘althans, tenminste’, zoals in Salech sijn die ghene die wenen. Ja om haer sonden wilmen menen ‘zalig zijn zij die wenen, althans, vanwege hun zonden zal men bedoelen’ [1285; CG II, Rijmb.], en ‘immers, voorwaar’, zoals in God! jane spraecstu dat: berecht weduwen ende weesen ‘God, hebt U dat immers niet gezegd: doe recht aan weduwen en wezen’ [1300-25; MNW-R]. In sommige oostelijke dialecten en het Duits komen deze betekenissen nog voor. In de Nederlandse standaardtaal zijn zij weinig frequent.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ja* [bevestiging] {1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits, gotisch ja, oudnoors , oudengels gea (engels yea); buiten het germ. zijn geen duidelijke verwanten gevonden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ja bijw., mnl. , os. ohd. , ofri. , , oe. gea (ne. yea, terwijl yes < oe. giese < gēa swā, vgl. W. Horn, Herrigs Archiv 182, 1942, 52), on. , got. (naast jai, evenals gr. naí naast nḕ ‘ja’). — Het kymr. ie (tweelettergrepig uitgesproken!), dat meestal vergeleken wordt, is ontstaan uit ī-ef ‘dit (is) het’. De vorm jai, vgl. nhd. je wil IEW 285 verklaren uit loc. enk. v. i̭āi van de prominaalstam *i̭e:i̭o. Mag men daar ook ja toerekenen? De owfri. vorm dziē, die FW 277 wil verklaren als ontstaan uit *ďs ‘des ja’ (= ‘met het oog daarop ja-), brengt vHaeringen Suppl. 77 in verband met emfatische vormen als nnl. tja, tsja (vgl. Heinertz IF 35, 1915, 305).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ja bijw., mnl. . = ohd. (nhd. ja), os. , ofri. , [owfri. dziê is als ds jê “des (met ’t oog daarop) ja” verklaard], ags. gêa (eng. yea; yes > ags. gese, gise), on. , got. ja (verlengd jai) “ja, voorwaar”. Buiten het Germ. kan kymr. ie “imo, ita, nae” hierbij gebracht worden. Gr. “voorwaar” wordt vaak vergeleken; deze combinatie is onwsch. wegens den spiritus lenis. Lit. ja “ja” komt wsch. uit het Du.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ja. Owfri. dziê, dzyê zal een door emphase uit j ontstane affricaat voorstellen. Vgl. ndl. tja, tsja. Zie ook Heinertz IF. 35, 305. Over dial. vormen met ā, niet â, vgl. neen Suppl. (slot van 1e alin.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ja bijw., Mnl. id., Os. + Ohd. id. (Mhd. en Nhd. id.), Ags. géa (Eng. yea, waarna yes, Ags. gése, d.i. ja zoo, of ja het zij), Ofri. , On. (Zw. en De. id.), Go. ja, jai en jah + We.. ie, misschien Lit. ja als dit niet uit Germ.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

jao (tw.) ja; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) jau, Vreugmiddelnederlands ia <1220-1240>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

ja? tw., wat zeg je?, wat zegt U?, wat is er? Zullen we iets drinken? vroeg Nettie, roep Johnny eens voor me. - Johnny kwam aanlopen: Ja? (Doelwijt 1972b: 99). - Etym.: Het lijkt mogelijk, dat het gebruik van ’ja?’ wanneer men iets niet verstaan of begrepen heeft, voortkomt uit angst of althans schaamte. Stamt het dan wellicht uit de slaventijd? Vgl. de etikette die voorschrijft, dat men de koningin op een vraag die een veronderstelling inhoudt nooit met een rechtstreekse ontkenning mag beantwoorden.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ja I: bw. en tw. ter bevestiging/toestemming, ens.; Ndl. ja (Mnl. ja), Hd. ja, Eng. yea, verw. buite Germ. onseker.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Laat uw ja, ja zijn en uw nee, nee, houd u consequent aan uw verklaring. Ook in de vorm van een vaststelling.

Deze uitspraak doet de apostel Jakobus in zijn vermaning om niet te zweren: 'Maar bovenal, broeders en zusters, zweer geen enkele eed, niet bij de hemel, niet bij de aarde, nergens bij. Laat uw ja ja zijn, en uw nee nee, anders zult u ervoor gestraft worden' (Jakobus 5:12, NBV). Op grond van deze en andere bijbelse vermaningen leggen sommige christenen uit principe geen eed af, maar doen een gelofte.

Liesveldtbijbel (1526), Jakobus 5:12. Maer voor alle dingen, mijne broeders, en sweret niet, noch bi den hemel, noch bi der aerden, noch bi gheenen anderen eet, Maer v woort si Ja, dat Ja is, ende neen, dat neen is, op dat ghi niet in geueystheit en vallet. (In de Statenvertaling (1637): uw Ja, zy ja, ende het Neen, neen.)
Mijn ja is ja, mijn neen is neen. Daar laat ik niet aan tornen. (J. Mens, De witte vrouw, 1987 (1952), p. 277)
Mijn vader was niet streng maar wel consequent. z$n nee was nee en z$n ja was ja. (Gehoord, jaren '90)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ja ‘uitroep ter bevestiging’ -> Schots yea, ya ‘ja, inderdaad; oh ja (verbazing of ongeloof uitdrukkend, vage instemming of tegenstemming); ja ja (spottend)’; Frans dialect jan ‘uitroep ter bevestiging’;? Bretons ia ‘al’ ; Zuid-Afrikaans-Engels ja ‘uitroep ter bevestiging’; Indonesisch ya ‘uitroep van bevestiging; hoor je!; ook, eveneens; oké? (aan eind van een zin: maakt een verzoek of vraag beleefder)’; Negerhollands jā, ja, ju ‘uitroep ter bevestiging’; Berbice-Nederlands ja ‘uitroep ter bevestiging’; Skepi-Nederlands ja ‘uitroep ter bevestiging’; Sranantongo ia, ya ‘uitroep ter bevestiging, inderdaad’;? Saramakkaans jahái, jaái ‘uitroep ter bevestiging’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

ja. Het woord ja noemt men een tussenwerpsel: een woord dat op zichzelf een uitroepende zin vormt en daardoor buiten de grammaticale structuur van de zin staat. Iedere taal kent tussenwerpsels. Men maakt verschil tussen communicatieve tussenwerpels, dat zijn tussenwerpsels die een spreker en een hoorder veronderstellen, zoals ja, en emotionele tussenwerpsels, waarbij geen hoorder aanwezig hoeft te zijn, zoals ach of och.

Hoewel je zou denken dat iedere taal zijn eigen tussenwerpsels heeft, zijn ook deze woorden door het Nederlands uitgeleend aan andere talen. Dat zal onder andere komen door de grote frequentie van dergelijke woordjes in de spreektaal, waar ze vaak als stopwoordjes gebruikt worden, en door de behoefte aan variatie in het taalgebruik. Zo zijn bijvoorbeeld de communicatieve tussenwerpsels ja als uitroep ter bevestiging en nee als uitroep ter ontkenning uitgeleend. Het Indonesisch heeft 'ja' geleend als ya, bijvoorbeeld als antwoord op een vraag, ook in combinaties zoals ya, tentu saja 'ja natuurlijk'. Voor de verlengde vorm die in het Nederlands klinkt als jaaaaah, gebruikt het Indonesisch yah. Het Indonesisch heeft tevens de Nederlandse verbinding ja goed geleend: yahud betekent 'heel goed, fantastisch!' Behalve het Nederlandse leenwoord ya kent het Indonesisch ook eigen, erop lijkende woorden voor 'ja', namelijk de nadrukkelijke vormen iya, ia. Het feit dat deze woorden zo op de Nederlandse vorm lijken, zal de inburgering van het Nederlandse woord vergemakkelijkt hebben.

Voor 'nee' gebruikt het Indonesisch een eigen woord, namelijk tidak. Daarentegen heeft het Sranantongo het Nederlandse nee(n) geleend in de vorm ènèn. Voor 'ja' gebruikt men in het Sranantongo ai (teruggaand op het Engelse aye). Ook het Nederlandse ja is geleend als ya, dat echter meer de betekenis heeft van 'inderdaad', vergelijk ya no? 'echt waar?, o ja?' en ya baya 'ja hoor'. In het Papiaments tot slot is het normale woord voor 'ja' sí, sè, uit het Spaans. In informeel taalgebruik bezigt men echter het Nederlandse leenwoord ya. Voor 'nee' kent het Papiaments volgens de woordenboeken alleen , uit het Spaans.

Een aparte groep onder de communicatieve tussenwerpsels vormen de groeten, en ook daarvan zijn er enkele door andere talen overgenomen uit het Nederlands. Zo is de groet dag in het Indonesisch ontleend als dah. Ook komt voor dah-dah 'dag dag'. Daarnaast zijn goedendag, goedemorgen, goedemiddag en goedenavond letterlijk uit het Nederlands vertaald als selamat siang, selamat pagi, selamat soré en selamat malam. Hallo is in het Indonesisch geleend als halo. Hiervan is de prachtige afleiding halo-halo gemaakt, gebruikt voor een 'microfoon'. Het werkwoord berhalo-halo betekent 'aan de telefoon praten, telefoneren'. In het Papiaments is eveneens hallo geleend - haló wordt echter niet gebruikt als groet, maar in de zin van 'hallo bij een telefoongesprek'.

Het Nederlands heeft ook emotionele tussenwerpsels, waarbij geen hoorder aanwezig hoeft te zijn, uitgeleend, zie wacharme(n). Een speciale subcategorie hiervan vormen de vloeken, bastaardvloeken en krachttermen, waarvan zijn uitgeleend jeminee en verdomme.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ja* tussenwerpsel: uitroep ter bevestiging 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut