Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ivoor - (been van olifantslagtanden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ivoor zn. ‘been van olifantslagtanden’
Mnl. iuorie ‘ivoor’ [1240; Bern.], dese tant es yuor fijn dat dandre alle niet sijn ‘deze tand is van zo mooi ivoor als geen andere tand’ [1287; CG II, Nat.Bl.D].
Ontleend aan Frans ivoire ‘ivoor’, met als oudste vindplaats Picardisch ivorie [ca. 1140; Rey], uit vulgair Latijn *eboreum, gebruik als zn. van het klassiek-Latijnse bn. eboreus ‘ivoren’, dat weer een afleiding is van het eveneens klassieke zn. ebur (genitief eboris) ‘ivoor’, later bij overdracht ook ‘olifant’. Ebur is wrsch. een ontlening aan een Hamitische taal, vergelijk Egyptisch āb(u) ‘olifant, ivoor’, Koptisch ebu, ebou ‘id.’. Zie ook → elpenbeen.
ivoren bn. ‘van ivoor’. Mnl. yvorijn, yvoren in een setel, die yvorijn was ‘een ivoren zetel’ [1300-50; MNW-R], haer lijf, dat scoenre sceen ende witter dan yvorijn been ‘haar lichaam dat er mooier uitzag en witter dan ivoor’ [1300-50; MNW-R], die horen was yvoren ‘de hoorn was van ivoor’ [1340-60; MNW-R]. Afleiding van ivoor met het achtervoegsel -en voor stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden. De uitdrukking ivoren toren [1901; WNT toren I], als symbool voor afzondering van de dagelijkse realiteit, is een leenvertaling van Frans tour d'ivoire [1830; Robert], geïntroduceerd door de dichter Charles A. Sainte-Beuve (1804-1869): Et Vigny, plus secret, comme en sa tour d'ivoire, avant midi rentrait ‘en Vigny trok zich voor de middag stilletjes terug als in zijn ivoren toren’. Eerder komt de woordcombinatie turris eburnea (Statenvertaling elpenbenen toren) al voor in het Oude Testament, in Hooglied 7:4, daar echter als vergelijking voor een mooie sterke en rechte hals; ook in de moderne literatuur kwam ivoren toren tot in de 19e eeuw nog voor als symbool voor reinheid en kracht. Na Sainte-Beuve, en in het bijzonder na Henry James' onvoltooide roman Ivory Tower (1917), kwam de uitdrukking in de moderne betekenis in vele talen terecht.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ivoor [materiaal van slagtanden] {ivore, ivoor 1201-1250} < frans ivoire < latijn ebur (2e nv. eboris) [idem] < koptisch ebu [olifant, ivoor].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ivoor znw. o., mnl. ivōre, ivoor, ivōrie < ofra. ivorie (nfra. ivoire) < lat. eboreum ‘van ivoor gemaakt’, afl. van ebur ‘ivoor’. — Zie ook: elpenbeen.

Kiliaen heeft de vorm avoor, nog dial. in WVlaanderen en Waas, (vgl. lamoen < fra. limon). Het Zuidnl. lavoor is te verklaren als lommer door toevoeging van het franse lidwoord.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ivoor znw. o., mnl. ivōre, ivoor, ivōrie o. Uit ofr. ivorie (fr. ivoire; lat. *eburea van ebur) “ivoor”, evenals eng. ivory “id.”. Vgl. elpenbeen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ivoor. Zuidndl. lavoor, ook avoor (Wvla., Waas); de laatste vorm bij Kil. Voor de a vgl. lamoen, voor de l vgl. lommer.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ivoor o., Mnl. id., gelijk Eng. ivory, uit Fr. ivoire, Lat. eboreum (-us), bijv.nw. van ebur = ivoor + Skr. ibhas = olifant.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

avoor (W), zn. m.: ivoor. Met voortonig versterkte klinker (a < i) < Fr. ivoire, vandaar de scherplange o. Zie ook lavoor.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ivoor s.nw.
1. Glansende, roomkleurige of wit, fynkorrelrige, ondeursigtige stof waaruit die slagtande van o.a. olifante, seekoeie en walvisse bestaan. 2. Stof wat aan ivoor (ivoor 1) herinner. 3. Kleur soos dié van ivoor (ivoor 1).
Uit Ndl. ivoor (Mnl. ivore, ivoor). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm ifoor.
Eng. ivory, Fr. ivoire.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ivoor (Frans ivoire)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ivoor ‘materiaal van slagtanden’ -> Fries ivoar ‘materiaal van slagtanden’; Papiaments ivor (ouder: ivoor) ‘materiaal van slagtanden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ivoor materiaal van slagtanden 1240 [Bern.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal