Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

-isme - (-leer, -verschijnsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

-isme achterv. dat zn. vormt die een leer of verschijnsel benoemen
De oorsprong van dit internationale achtervoegsel ligt in Grieks -ismós, dat zelfstandige naamwoorden vormde bij werkwoorden met in de stam het element -iz-, bijv. baptismós ‘doop’ bij baptízein ‘dopen’, logismós ‘berekening’ bij logízesthai ‘rekenen’. Een speciale groep bestaat uit afleidingen met de betekenis ‘leven, doen of spreken als ...’, bijv. ioudaízein ‘op zijn joods leven’, waarbij dan ioudaismós ‘joodse levenswijze’. De eerste Latijnse ontleningen zijn van dit type: Laatlatijn christianismus ‘christelijke levenswijze, christelijk geloof’, iudaismus ‘joodse levenswijze, joodse godsdienst’. Daarna is het vooral in de periode van de scholastiek (11e-15e eeuw) dat hier nieuwe Latijnse woorden bijkomen als namen van theologische en filosofische systemen. In de tijd van de Renaissance beginnen de Romaanse talen en het Engels hiervan woorden over te nemen.
Nederlandse woorden op -isme zijn in de Renaissance nog zeldzaam altijd ontleend via het Latijn of het Frans. Oud zijn bijv.: mnl. sophisme ‘drogreden’ [1240; Bern.], ontleend via het Latijn aan Grieks sophisma; vnnl. rhumatisme ‘reumatiek’ [1690; WNT], ontleend via het Latijn aan Grieks rheumatismós, en vnnl. socinianisme ‘theologische leer van Socinus’ [1690; WNT sociniaan]; van een systematisch gebruik is dan nog geen sprake.
Productief op grote schaal wordt het achtervoegsel in de moderne talen pas in de 19e eeuw. De betekenissen van de nieuwe woorden zijn alle te verklaren uit die van de speciale Griekse betekenis ‘het leven als, het handelen volgens, etc.’. De belangrijkste categorieën waarin zij vallen, zijn:
a) Politieke, economische, filosofische systemen, theorieën en doctrines, en kunststromingen, zoals → communisme, → imperialisme, → socialisme, → zionisme, → impressionisme, vaak gevormd bij eigennamen, zoals boeddhisme, darwinisme, stalinisme;
b) Idem in verzwakte opvatting, in woorden als → defaitisme, → naturisme, → nudisme, → racisme, → sadisme, amateurisme, centralisme, despotisme, fetisjisme, seksisme, toerisme, vandalisme (zie → amateur, → centraal, → despoot, → fetisj, → seks, → toerist, → vandaal). In alle gevallen onder a en de meeste onder b gaan deze woorden vergezeld van een persoonsaanduiding op → -ist.
c) Eigenschappen, processen of verschijnselen, bijv. magnetisme, mechanisme, organisme, vulkanisme (zie → magneet, → mechanisch, → orgaan, → vulkaan); in deze functie is -isme minder productief;
d) Taalverschijnselen die voortkomen uit een andere taal, bijv. anglicisme, germanisme, en algemener barbarisme, idiotisme (zie → barbaar, → idioom).
Buiten al deze categorieën valt het woord → botulisme. De meeste van deze woorden zijn overigens internationaal, en in veel gevallen is het dan ook moeilijk uit te maken via welke weg zij in het Nederlands zijn gekomen of dat zij inheems gevormd zijn.
Nederlandse woordenboeken uit het begin van de 20e eeuw vermelden naast vormen op -isme soms een nevenvorm op -ismus. In de praktijk zijn deze nauwelijks of niet in gebruik geweest: in het complete archief van weekblad De (Groene) Amsterdammer uit de periode 1877-1940 komen -ismen uitbundig voor, vormen op -ismus daarentegen geheel niet.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

-isme [achtervoegsel dat een toestand van handeling aangeeft] {bv. in aphorisme 1615} < frans -isme < latijn -ismus < grieks -ismos, een afleiding van de ww. op -izein. Het achtervoegsel bestaat ook in andere talen, vgl. engels -ism, hoogduits -ismus.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

isme s.nw.
1. Enige saak, teorie of praktyk wat benoem word deur 'n woord wat op die agterv. -isme eindig. 2. Taalvorm wat vreemd is aan die wese van 'n taal, omdat dit aan 'n ander taal ontleen is.
In bet. 1 uit Eng. ism (1680). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel n.a.v. die agterv. -isme by woorde soos Anglisisme, Gallisisme, Germanisme, ens.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

-isme (Frans -isme)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

-isme ‘achtervoegsel waarmee zelfstandige naamwoorden worden gevormd die betekenen: geheel van opvattingen, beweging, richting, systeem m.b.t. het in het grondwoord bedoelde’ -> Indonesisch -isme ‘achtervoegsel waarmee zelfstandige naamwoorden worden gevormd die betekenen: geheel van opvattingen, beweging, richting, systeem m.b.t. het in het grondwoord bedoelde’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut