Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

-isch - (achtervoegsel in bn. van vreemde herkomst)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

-isch achterv. in bn. van vreemde herkomst
Mnl. in nydisch ‘afgunstig, jaloers’ [1477; Teuth. wangonstich]; vnnl. in hoerisch, ketterisch, overspelisch [alle 1569; WNT], wtlandisch ‘buitenlands’ [1573; Thes.], eerdisch ‘aards’ [1590-99; WNT], geschiedisch ‘historisch’ [1604; WNT], (al-)modisch [1682; WNT Supp. aanbreien].
Deze en vele andere 16e-, 17e- en sporadisch nog 18e-eeuwse woorden op -isch met een stam die meestal een Germaanse herkomst heeft, zijn alle ontleend aan het Hoogduits. Daarin is -isch /iš/ klankwettig ontwikkeld uit pgm. *-isk-, een klank die in het Nederlands via sch is geassimileerd tot s. Het inheemse equivalent van -isch is dus het bijvoeglijke achtervoegsel → -s zoals in hemels, speels, stuurs e.d.
Van de vele vroege ontleningen op -isch zijn de meeste in de loop van de tijd ingeruild voor een inheemse variant op -sch, later gespeld -s, of op -ig of voor een ander neologisme. Voor de hierboven genoemde voorbeelden zijn dat: nijdig, hoerig, ketters, overspelig, buitenlands, aards, historisch, modieus. De weinige woorden die wel zijn overgebleven, behoren tot de bijbelse taal, bijv. afgodisch, of, zoals evangelisch en profetisch, passen in een van de categorieën waarin alle 19e- en 20e-eeuwse woorden op -isch vallen, namelijk afleidingen van a) stam- en volksnamen: Belgisch, Frankisch, Gotisch, Semitisch; b) toponiemen: Arabisch, Aziatisch, Dorisch, Scandinavisch; c) eigennamen: draconisch, homerisch; d) andere persoonsaanduidingen van uitheemse herkomst: gigantisch, poëtisch, pedagogisch, socialistisch; en e) andere Romaanse woorden op Latijn -icus, Frans -ique etc. (veelal zelf weer ontleend aan Griekse woorden op -ikós): chemisch, elektrisch, fantastisch, kritisch, lyrisch, technisch, typisch. In al deze categorieën is -isch productief; zie voor verscheidene woorden uit de categorieën c, d en e de afzonderlijke ingangen in dit woordenboek.
Voor de 19e-eeuwse woorden op -isch kan men vaak nog ontlening aan het Duits veronderstellen, maar de veelheid aan zulke ontleningen maakte dat het achtervoegsel onderdeel werd van het Nederlandse taaleigen. Bij de latere woorden op -isch kan men daarom niet of slechts met veel moeite vaststellen welke ontleningslijn precies gevolgd is, aangezien Frans -ique en Engels -ic in het Nederlands door suffixsubstitutie ook -isch worden.
De meeste Duitse ontleningen op -isch zullen via de schrijftaal zijn ontleend. In het Nederlands kreeg de -sch (Duits /š/) dan ook een spellinguitspraak, namelijk die van de inheemse -sch die al eeuwenlang als /s/ werd uitgesproken. De spelling -isch werd in 1954 niet vereenvoudigd tot -ies, zoals mensch wel werd vereenvoudigd tot mens.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

-isch [achtervoegsel waarmee van zn. bn. worden gevormd, met als betekenis ‘m.b.t. het in het grondwoord genoemde’] {in bv. apostolisch 1495} < hoogduits -isch, maar is in het nl. een eigen leven gaan leiden in bv. wettisch, Israëlisch; het achtervoegsel wordt ook gebruikt ter weergave van fr. woorden op -ique of lat. woorden op -icus.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

-isch eerst in de 16de eeuw ontleend suffix < nhd. -isch waarsch. vooral in de bijbeltaal door invloed van Luther, zoals in woorden als afgodisch, profetisch, wettisch; dan later productief geworden in geleerde afleidingen van franse woorden op -ique of latijnse op -icus.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† -isch suffix, in de 16e eeuw ontleend aan hd -isch (vgl. -s[ch] Suppl.), is zeer productief geworden in geleerde afll. naar fr. woorden op -ique, resp. latijnse op -icus.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

-isch (Duits -isch)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

-isch ‘achtervoegsel waarmee van een zelfstandig naamwoord een bijvoeglijk naamwoord wordt gevormd, met als betekenis: m.b.t. het in het grondwoord genoemde’ -> Indonesisch -is ‘achtervoegsel waarmee van een zelfstandig naamwoord een bijvoeglijk naamwoord wordt gevormd, met als betekenis: m.b.t. het in het grondwoord genoemde’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut