Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

intimiteit - (innigheid, vertrouwelijkheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

intiem bn. ‘vertrouwelijk, huiselijk; betrekking hebbend op seksualiteit’
Nnl. intime vrunden ‘vertrouwelijke vrienden’ [1740; WNT], mevrouw L., daar ik heel intim meê spreeken kan [1793; WNT tusschen], intiem ‘huiselijk, knus’ in een intiem hoekje (in de kamer, voor de kinderen) [1883; WNT], ‘betrekking hebbend op seksualiteit, de geslachtsdelen e.d.’ in intiem met iemand zijn “zeer vertrouwelijk (ook in toepassing op ongeoorloofd sexueel verkeer)” [1914; van Dale], intiemspray ‘vaginale spray’ [1974; Koenen], intieme omgang hebben met iemand “ermee naar bed gaan” [1984; van Dale], intieme hygiëne ‘hygiëne m.b.t. de geslachtsdelen’.
Ontleend aan Frans intime ‘vertrouwelijk’ [1376; Rey], ontleend aan Latijn intimus ‘binnenst, innigst, vertrouwdst’, de overtreffende trap van een woord waarvan de stellende trap alleen bestaat als bijwoord intus ‘van binnen’, afleiding van het voorzetsel in ‘in’, zie → in- 3. De vergrotende trap is interior, zie → interieur.
intimi zn. mv. ‘intieme vrienden, ingewijden’. Nnl. een zijner intimi ‘een van zijn intieme vrienden’ [1844; WNT ruischen I], ook het enkelvoud komt soms voor: intimus ‘vertrouwde vriend, boezemvriend’ [1847; Kramers]. Gebruik als zn. van het Latijnse bn. intimus ‘vertrouwdst’; gebruik als zn. is in het Latijn zelf ongewoon, maar treedt wel op in Duits intimus ‘vertrouwde vriend’ [ca. 1600; Pfeifer]. Ook het Frans kent de substantivering intime ‘id.’ [1616; Rey]. Het enkelvoud intimus is tegenwoordig nauwelijks meer in gebruik. ♦ intimiteit zn. ‘vertrouwelijkheid, huiselijkheid; vrijpostige handeling’. Nnl. intimiteit ‘vertrouwelijkheid, hartelijkheid’ [1770; WNT], ‘huiselijkheid’ [1906; WNT]; in de betekenis ‘vrijpostige handeling’ uitsluitend in het meervoud intimiteiten ‘intieme, meestal seksueel getinte handelingen’. Verantwoordelijk voor de invoering van deze betekenis is ongetwijfeld de dichter J.C. de Vos (1855-1931), die in 1888 een erotisch getinte dichtbundel uitgaf met de titel Intimiteiten, waarover een recensent schreef: “Nooit heeft een schrijver zijn lezers in intiemer sfeer gevoerd dan de Heer de Vos”. In de woordenboeken verschijnen vervolgens de uitdrukkingen zich intimiteiten veroorloven “vrijmoedige familiariteit” [1914; van Dale] en recenter ongewenste intimiteiten [1984; van Dale HN]. Ontleend aan Frans intimité ‘innigheid (van een band)’ [1735; Rey], eerder al ‘huiselijkheid, vertrouwdheid’ [1684; Rey], afleiding van het bn. intime.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut