Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

internist - (arts voor inwendige ziekten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

intern bn. ‘inwendig; inwonend’
Nnl. interne ‘inwendig, innerlijk’ [1824; Weiland], interne handel ‘binnenlandse handel’ [1847; Kramers], internen ‘inwonende leerlingen’ [1863; Kramers], interne en externe leerlingen [1881; Groene Amsterdammer], intern ‘binnen het menselijk lichaam, betreffende het binnenste daarvan’ in interne ziekten, interne geneeskunde [1911; WNT], ‘binnen een eigen organisatie of systeem’ in voor een intern inzicht van de financieele positie [1944; WNT Aanv. verkoop].
Ontleend aan Frans interne ‘binnen het menselijk lichaam’ en ‘binnen een systeem (abstract of concreet)’ [alle 16e eeuw; Rey], als zn. ook ‘inwonende leerling’ [1818; Rey], ontleend aan Latijn internus ‘zich in het binnenste bevindend’, het onzijdig meervoud interna ook gebruikt als zn. met de betekenis ‘het inwendige, de ingewanden’, afgeleid van inter ‘binnenin’, zie → inter-. De betekenis ‘binnenlands’ is wrsch. ontleend aan Engels internal ‘id.’ [1795; OED], zoals in internal politics ‘binnenlandse politiek’. De medische betekenis is ontleend aan Neolatijn internus.
internist zn. ‘specialist in interne ziekten’. Nnl. internist ‘id.’ [1902; WNT reform(-) I]. Eerder internist ‘hij die aan een inwendige ziekte lijdt’ [1886; Kramers]. Afleiding van intern in de betekenis ‘betreffende inwendige ziekten’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

internist [arts voor inwendige ziekten] {1901-1925} gevormd van latijn internus [inwendig] + -ista (< grieks istès), achtervoegsel dat beroepen aangeeft (vgl. intern).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

internist ‘arts voor inwendige ziekten’ -> Indonesisch internis ‘arts voor inwendige ziekten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

internist arts voor inwendige ziekten 1907 [KWT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut