Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

interieur - (het inwendige van een huis, gebouw, auto e.d.)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

interieur zn. ‘het inwendige van een huis, gebouw, auto e.d.
Vnnl. interieur ‘het innerlijke, de innerlijke beweegreden’ in het interieur van hetgeen hy gedaen heeft [1667; WNT voorzichtigheid]; nnl. interieur ‘interne aangelegenheid’ in het interieur der Provinciale Regeering [1791; WNT Aanv. domestiek], “het innerlijke, het inwendige, de innerlijke belangen en verhoudingen” [1847; Kramers], intérieur ‘het huiselijk leven’ [1866; WNT vooruitlopen], ‘het binnenste, de inrichting, van een huis’ [1904; WNT stoffage], ‘het inwendige van een auto’ [1969; WNT Aanv. wagen I].
Ontleend aan Frans intérieur ‘het binnenste’ [16e eeuw; Rey], met een groot aantal concrete en abstracte betekenissen, waarvan de uiteindelijk definitief door het Nederlands ontleende er slechts een is. Het Franse woord is als bn. intérieur ‘binnenste’ ontleend aan Latijn interior ‘id.’, de vergrotende trap van inter ‘binnenin, tussen’, zie → inter-.
Als de eigenschappen van twee eenheden worden vergeleken, wordt in sommige Indo-Europese talen de vergrotende trap gebruikt i.p.v. de overtreffende trap: Nederlands de grootste van de twee is in het Engels bijv. the bigger of the two. Dit verklaart ook de Latijnse vergrotende vorm interior waar het Nederlands de overtreffende vorm binnenste gebruikt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

interieur [het inwendige] {1847} < frans intérieur [idem] < latijn interior [meer naar binnen gelegen, binnenste van twee, inwendig], van intus [binnen, binnenin].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

interieur (Frans intérieur)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

interieur ‘het inwendige’ -> Duits Interieur ‘een binnenruimte voorstellend beeld, in het bijzonder in de Nederlandse schilderkunst van de 17e eeuw’; Indonesisch intériur ‘het inwendige (woning)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

interieur het inwendige 1847 [KKU] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut