Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

integraal - ((wiskunde) functie die een gegeven functie als afgeleide heeft)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

integraal 1 zn. ‘(wiskunde) functie die een gegeven functie als afgeleide heeft’
Nnl. eerst in de samenstelling Integraal-Rekening ‘bepaalde rekenwijze in de wiskunde’ [1740; WNT], dan integraal [1773; WNT reek I], de integraalen toond men aan met de letter S voor aan te stellen [1775; WNT].
Verkorting van integraalrekening, dat een leenvertaling is van Neolatijn calculus integralis, waarin integralis een afleiding is van Latijn integer ‘geheel’, zie → integer; voor calculus ‘berekening, rekenmethode’ zie → calculeren.
De Latijnse term werd in 1690 gemunt door een van de pioniers van de integraalrekening, de Zwitserse wiskundige Jakob Bernoulli (1654-1705). Eerder al pleitte de Duitse wiskundige Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716) voor de term calculus summatorius ‘de rekenkunde van de totalen’. Ze stemden uiteindelijk in met het compromis om Bernoulli's term te gebruiken en Leibniz' symbool, een langgerekte S. In zekere zin is integraalrekening het berekenen van totalen, wat de Latijnse naamgeving verklaart.
integreren 1 ww. ‘berekenen van een integraal’. Nnl. integreeren [1775; WNT]. Terugvorming bij het zn. integraal naar het model van klassiek Latijn integrāre, afleiding van integer.

integraal 2 bn. ‘volledig, een geheel uitmakend’
Nnl. integraal ‘geheel, volkomen’ [1777; Meijer], integrale schuld ‘de volledige schuld’ [1814; WNT].
Ontleend aan Frans intégral ‘id.’ [1640; Rey], geleerde afleiding van Latijn integer ‘geheel’, zie → integer.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

integraal [volledig, als zn. een wiskundige term] {1773 als zn.; als bn. 1814} < frans intégral [idem] < middeleeuws latijn integralis, van integer [gaaf, volledig] (vgl. integratie); als zn. is de benaming afkomstig van Jacob Bernouilli (1654-1705).

Thematische woordenboeken

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Integraal (< Lat. integralis; < integer = geheel). Leibniz (1646–1716) beschouwde de oppervlakte van de figuur, begrensd door de kromme y = f(x), de coördinaatassen en een willekeurige eindordinaat, als som van oneindig veel oneindig smalle rechthoeken; hij stelde die som door een letter (lange vorm van de s) en noemde de rekenwijze, waardoor ze bepaald werd, een calculus summatonus (sommeer-rekening). Nadat was ingezien, dat f(x) de afgeleide functie van (x) is, noemde Joh. Bernoulli (1667–1748) (x) de functio integra, f(x) de functio derivata, terwijl hij het woord calculus integralis invoerde; het woord integralis komt ook reeds bij Jac. Bernoulli (1654–1705) voor. Wij gebruiken thans het aan Leibniz ontleende teken en spreken met Bernoulli van integraalrekening.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

integraal volledig 1814 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal