Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

innerlijk - (inwendig; wezenlijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

innerlijk bn. ‘inwendig; wezenlijk’
Mnl. innerlijc in die inreliker verborghenheit der schrifturen ‘het diepe mysterie van de Schrift’ [voor 1400; MNW], ende riepen innerlicken zeer ‘en jammerden (van pijn) vanuit het diepst van hun gemoed’ [1434-36; MNW-P].
Afleiding met → -lijk van de vergrotende trap inner van het bijwoord → in. Zie ook → uiterlijk 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

innerlijk [inwendig] {innerlijc [innig] ca. 1410, innerlijc [innerlijk, inning] ca. 1445} in devote literatuur < middelhoogduits innerlīch, afgeleid van de vergrotende trap van in, vgl. middelnederlands inne [inwendig, innig] {ca. 1350}.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

innerlijk bnw., mnl. innerlijc (in devote literatuur) < mhd. innerlich (vooral in mystieke geschriften). Een afl. van de compar. van in, vgl. mnl. innere (Ruusbroec), onfrank. innero, ohd. innaro, innaroro, ofri. inra, oe. innera, on. innri, iðri. — Zie ook: uiterlijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

innerlijk bnw. Sedert het Mnl. Mhd. Mnl. alleen in devote literatuur; wsch. in navolging van het Hd. Afl. van mnl. innere (zelden; bij Ruusbroec; vaker de superl. innerst), onfr. innero, ohd. innaro (nhd. innere; ohd. ook innarôro), ofri. inra, ags. innera (eng. inner), on. innri, iðri “interior”. Comparatief, gevormd van de bij innen besproken bijww. Vgl. uiterlijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

innerlijk bijv., Mnl. innerlijc, van Mnl. inre, Onfra. innero + Ohd. innar (Mhd. en Nhd. inner) = inwendig, een afleid. van *inne (z. innen): vergel. uiterlijk.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

innerlijk inwendig 1450 [MNW] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal