Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ingenieur - (wetenschappelijk gevormd technicus)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ingenieur zn. ‘wetenschappelijk gevormd technicus’
Vnnl. ingenieur ‘ontwerper en bouwer van oorlogstuig en vestingwerken’ [1599; WNT], “bolwercker” [1650; Hofman]; nnl. ingenieur ‘genie-officier, militair die deskundig is in de wapentechniek’ [1814; WNT], burgerlijk ingenieur ‘wetenschappelijk gevormd technicus’ [1842; WNT], weer verkort tot ingenieur ‘id.’ [1898; WNT].
Ontleend aan Frans ingénieur ‘ontwerper en bouwer van oorlogstuig en vestingwerken’ [1537-40; Rey], later ook ‘technisch en wetenschappelijk ontwerper’ [17e eeuw; Rey], een nieuwvorming op basis van het zn. engin in de betekenis ‘oorlogstuig’ [1155; Rey], van Latijn ingenium ‘slimme vondst’, zie → ingenieus, en met een aan dat Latijnse woord aangepaste spelling. Eerder bestond al Oudfrans ingeigneur ‘wapenbouwer’ [ca. 1155; Rey]. Zie ook → genie 1.
Oorspr. was ingenieur alleen een militaire functienaam. De burgerlijke betekenis van ingenieur ontstond in de 19e eeuw. Gezien de voorsprong van Engeland in de industriële revolutie is hier wrsch. sprake van betekenisontlening aan Engels engineer. Aanvankelijk stond er in deze betekenis altijd een bn. voor: burgerlijk ingenieur of civiel ingenieur, of explicieter bouwkundig ingenieur, werktuigkundig ingenieur, etc.
Het woord vernufteling, dat regelmatig te horen is in discussies over purismen, is een bedenksel van P.C. Hooft in zijn Nederlandsche Historien (1642), maar is in het Nederlandse taalgebied nooit algemeen gebruikelijk geweest.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ingenieur [afgestudeerde aan een hogere technische school] {engienieer [militaire bouwmeester] 1588} < frans ingénieur [idem], afgeleid van middeleeuws latijn ingenium [uitvinding, kunstgreep, apparaat, belegeringswerktuig, in klass. lat. aard, capaciteiten, verstand, talent, vindingrijkheid, eig.: wat is ingeboren], van in [in] + de stam van genus [geboorte, afkomst] (vgl. genus).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

ingenieur

Hooft, die een ware taalzuiveraar was, heeft in zijn Nederlandsche Historiën voor ingenieur het woord vernufteling bedacht. Hij bracht ingenieur terecht in verband met het Latijnse woord ingenium dat vroeger inderdaad: geest, vernuft betekende, maar dat later werd gebruikt voor: kunstig bedacht werktuig, machine. Het Engels heeft daarvoor nog engine. Oorspronkelijk verstond men onder een ingenieur dan ook iemand die krijgsgevaarten ontwierp en vervaardigde. Thans is het een wetenschappelijke titel. Verwant met ingenieur is het woord genie, zowel in de betekenis: verheven geest als in die van: onderdeel van de krijgsmacht belast met het aanleggen van militaire werken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ingenieur znw. m., reeds bij Kiliaen engienieer, oorspr. ‘militair bouwmeester’ < fra. ingénieur ‘bouwer van krijgswerktuigen’. Het lat. ingenium had de bet. gekregen van ‘zinvolle uitvinding’ en dan speciaal van ‘oorlogswerktuig’, in deze laatste bet. ook ofra. engin, waaruit weer mnl. engien ‘krijgswerktuig’, vgl. engienmeester ‘officier van de genie’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ingenieur znw., sedert eind 16. eeuw (bij Kil. engienieer); oudste bet.: “legeringenieur, militair bouwmeester”. < fr. ingénieur. Dit van lat. ingenium in de bet. “oorlogswerktuig” (> fr. engin, mnl. engien o., o.a. “id.”, waarbij Kil. engienieer zich aansluit).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ingenieur (Frans ingénieur)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ingenieur ‘afgestudeerde aan een hogere technische school’ -> Indonesisch insinyur ‘afgestudeerde aan een hogere technische school’; Chinees-Maleis ènsinyer ‘afgestudeerde aan een hogere technische school’; Javaans insinyir ‘afgestudeerde aan een hogere technische school’; Madoerees insinyor ‘afgestudeerde aan een hogere technische school’; Menadonees ènsinyor ‘afgestudeerde aan een hogere technische school’; Minangkabaus insinyua ‘afgestudeerde aan een hogere technische school’; Soendanees insinyur ‘afgestudeerde aan een hogere technische school’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

civiel-ingenieur, burgerlijk ingenieur [weg- en waterbouwkundig ingenieur] (1842). De termen burgerlijk ingenieur en civiel-ingenieur worden in 1842 ingevoerd. Ze zijn gevormd naar het voorbeeld van het Franse ingénieur civil en het Engelse civil engineer. De titels waren bedoeld om de ‘waterstaatsingenieurs’ te onderscheiden van de oudere ‘militaire ingenieurs’. In het Staatsblad van 1842 werd bepaald: “Eene Koninklijke Akademie ter opleiding van Burgerlijke Ingenieurs zoo voor ’s lands dienst als voor de Nijverheid (...) zal (...) worden opgerigt en gevestigd te Delft.” In plaats van deze Koninklijke Academie voor civiele ingenieurs werd in 1864 de Polytechnische School in Delft opgericht – de voorloper van de huidige Technische Universiteit aldaar.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ingenieur afgestudeerde aan een hogere technische school 1842 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut