Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

inflatie - (geldwaardevermindering)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

inflatie zn. ‘geldwaardevermindering’
Vnnl. inflatie ‘opgeblazenheid’ in die winden ende inflatien des buycks [1543; WNT wind I]; nnl. de moderne betekenis eerst in de afleiding inflationist ‘voorstander van het in omloop blijven van muntpapier dat een aanzienlijke waardevermindering had ondergaan’ [1912; Kramers], dan inflatie ‘waardevermindering van geld’ [1919; Wink].
In de verouderde medische betekenis ontleend aan Latijn īnflātiō ‘opgeblazenheid’, afleiding van īnflāre ‘opblazen’, gevormd uit → in- 3 ‘in-’ en flāre ‘blazen, waaien’, verwant met → blazen. De financiële betekenis is internationaal en komt voor het eerst voor in het Amerikaans-Engels in an inflation of the currency ‘waardevermindering van de valuta’ [1838; OED]; inflation betekende in het Engels eerder ook al ‘opgeblazenheid, pompeusheid’ [1603; OED] en letterlijk ‘het opblazen, het opgeblazen zijn’ [1340; OED]. Zie ook het jongere → deflatie.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

inflatie [opzetting van de buik] {1650} < frans inflation < latijn inflationem, 4e nv. van inflatio [opgeblazenheid (medisch)], van inflare (verl. deelw. inflatum) [opblazen, volblazen, doen zwellen], van in [in, naar, op] + flare [blazen, waaien]; in de betekenis ‘waardevermindering van geld’ {1901-1925} < engels inflation [idem].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

inflasie s.nw.
1. Opswelling van die buik as gevolg van die aanwesigheid van gas of 'n vloeistof. 2. Waardevermindering van geld.
In bet. 1 uit Ndl. inflatie (1650). In bet. 2 uit Eng. inflation (1838).
Ndl. inflatie uit Fr. inflation, met lg. en Eng. inflation uit Latyn inflationem, 4de naamval van inflatio 'opgeblasenheid' van inflare 'opblaas, vol blaas, swel', met lg. van in 'in, na, op' en flare 'blaas, waai'.
Ndl. inflatie (ná 1950 in bet. 2).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

inflatie ‘opgezette buik’ (Latijn inflatio); ‘waardevermindering van geld’ (Engels inflation)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

inflatie ‘waardevermindering van geld’ -> Indonesisch inflasi ‘waardevermindering van geld’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

inflatie opzetting van de buik 1624 [Aanv WNT] <Frans

inflatie waardevermindering van geld 1912 [KKU] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut