Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

industrie - (fabriekswezen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

industrie zn. ‘fabriekswezen’
Vnnl. industrie ‘ijver’ [1540; Toll.], ‘nijverheid’ in het ambachtsvolc dat in industrie ende neerstigheydt alle andere Natien te boven ginc [ca. 1600; WNT Supp. ambachtsvolk], ‘scherpzinnigheid, slimheid’ [1650; Hofman], in deze betekenissen verouderd; nnl. industrie ‘(o.a.) de door technische bewerkingen teweeggebrachte waarde-verhoging van natuurproducten’ [1847; Kramers], ‘het fabriekswezen’ in katoen, die onmisbare grondstof van de Engelsche industrie [1864; WNT].
Ontleend aan Frans industrie ‘vakkundige ijver’ [1467; Rey] (verouderd maar nog bewaard in industrieux ‘bekwaam, ijverig’), ‘nijverheid’ [1543; Rey], ‘het fabriekswezen’ [1771; Rey]. Het Franse woord betekende eerst ‘handigheid, vindingrijkheid’ [14e eeuw; Rey] en is een geleerde ontlening aan Latijn industria ‘ijver’ < *industruia, afgeleid van Vroeglatijn indostruus ‘ijverig’, gevormd uit indu ‘in (archaïsche vorm)’ en de stam van het werkwoord struere ‘bouwen, stapelen’, zie → structuur.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

industrie [nijverheid] {ca. 1540 in de betekenis ‘ijver’; de betekenis ‘nijverheid, fabriekswezen’ 1847} < frans industrie < latijn industria [ijver, werkzaamheid], van oudlatijn indu [in] + struere [bouwen, ordenen].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

industrie ‘nijverheid’ (Frans industrie); ‘onderneming die geen nijverheid is’ (Engels industry)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

industrie ‘nijverheid, fabriekswezen’ -> Indonesisch industri ‘nijverheid, fabriekswezen’; Boeginees industerî ‘nijverheid, fabriekswezen’; Menadonees industri ‘nijverheid, fabriekswezen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

industrie nijverheid, fabriekswezen 1864 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut