Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

indruk - (werking op het gemoed of de geest)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

indruk zn. ‘werking op het gemoed of de geest’
Mnl. indruc ‘werking op de geest’ [midden 14e eeuw, kopie 1500-20; MNW-P], ook indruckinge ‘id.’ [1485; MNW]; vnnl. een inpressie ofte indruck in de slaperighe herten ‘het treffen of beroeren van de onoplettende harten’ [1667; WNT].
Een term uit de mystieke literatuur, door Jan van Ruusbroec (1293-1381) overgenomen van Middelhoogduits īndruc ‘innerlijk gevoel, blijvende invloed’, als leenvertaling van Latijn impressiō, zie → impressie. Het woord verschijnt pas aan het eind van de 17e eeuw in de woordenboeken en wordt pas in de 18e eeuw algemeen.
Van Ruusbroec gebruikte ook het werkwoord indrucken ‘indruk maken, inprenten’, bijv. in Als si hem dan indructen in haer wesen, maar dat verouderde. Het huidige werkwoord indrukken heeft alleen een letterlijke betekenis. In oude woordenlijsten komt eerder ook al indrucken voor [1240; Bern.] en [ca. 1440; Harl.], als vertaling van Latijn imprimere ‘indrukken, drukken in, op’; het is niet duidelijk of de overdrachtelijke betekenis ‘indruk maken op het gemoed’ toen al bekend was.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

indruk [uitwerking op de geest] {indruc 1461} eigenlijk: stempel dat op iets wordt gedrukt, indruksel < middelhoogduits indruc (in mystieke werken), is buiten de mystiek weinig gebruikt totdat de piëtisten het woord weer gingen gebruiken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

indruk znw. m., in overdrachtelijke zin door mystieke geschriften < mhd. indruc (ook uitsluitend in mystieke werken). Buiten de mystiek wordt het weinig gebruikt, totdat de Piëtisten het weer opnemen en het sedertdien in het algemene taalgebruik overgenomen wordt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

indruk znw. In overdr. bet. reeds in mnl. mystieke geschriften (reeds bij Ruusbroec); ontl. uit mhd. (myst.) îndruc m. (nhd. eindruck eerst sedert 1716).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

indrök (zn.) indruk; Middelnederlands indruc <1350> < Duits Eindruck.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

indruk (vert. van Latijn impressio of Duits Eindruck)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

indruk uitwerking op de geest 1461 [MNW] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut