Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

inborst - (karakter, aard)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

inborst zn. ‘karakter, aard’
Mnl. inborste ‘innerlijke hartstocht’ in quade imborste ‘boze hartstocht’ [1375-1400; MNW-R], zoe huut tserpents inborste tempteirde adame ‘vanuit de vurigheid van de slang bracht zij Adam in verzoeking’ [1400-20; MNW-R], inborste ‘karakter, aard’ in al ware yemand van inborste ende van leeringhe weghen goet ‘al zou iemand goed van karakter en goed geschoold zijn’ [1485; MNW]; bij Kiliaan alleen in de verduitste vorm in-bornst, in-brunst ‘vurig karakter, hartstocht’ [1599].
Wrsch. ontleend aan Middelhoogduits inbrunst ‘innerlijke gloed, hartstocht’ (Nieuwhoogduits Inbrunst ‘vurigheid’), maar dan al vroeg met volksetymologische aanpassing aan → borst 1 ‘voorzijde van het bovenlichaam’, want behalve bij Kiliaan is er geen Nederlandse attestatie met -ru-. Het Duitse woord is gevormd uit brunst in de betekenis ‘gloed, hitte’, een woord dat pas later in het Nederlands ontleend is als → bronst. Het voorvoegsel is het versterkende en ook in het Duits bestaande → in- 1 zoals in inslecht ‘zeer slecht’; vergelijk ook het min of meer synonieme mnl. ingloedich(eit) ‘vurig(heid)’ [15e eeuw; MNW].
In de associatie met borst werd ook de betekenis betrokken, die al vroeg niet meer een vurige gemoedstoestand aanduidde, maar neutraal ‘gemoedsgesteldheid, karakter, aard’, ofwel ‘dat wat zich in de borst bevindt’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

inborst* [aard] {inborst(e), imborst(e) 1376-1400} vervormd o.i.v. borst, vgl. middelhoogduits inbrunst (vgl. bronst).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

inborst

Dit woord lijkt bijzonder doorzichtig: wat kan inborst anders zijn dan datgene, wat men in de borst heeft, dus: zijn hart, zijn gemoed, zijn innerlijk? Deze verklaring is evenwel geheel onjuist. Wij hebben hier, als zo dikwijls, te maken met een woord waarvan een niet langer begrepen gedeelte door een ander woord werd vervangen, al had dit er in feite niets mee te maken. Inborst is zulk een omvorming uit inbronst dat: innerlijke gloed betekent en verwant is met branden. Oorspronkelijk is dus de betekenis: hartstocht, aandrift, bronst (van dieren). Wanneer men het woord als samenstelling van: borst gaat beschouwen, verandert de betekenis in: gemoedsgesteldheid, karakter, aard.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

inborst znw. v., mnl. inborste, imborste v. ‘hartstocht, drift; inborst, aard’ is onder invloed van borst vervormd uit *inbronst(e), vgl. laat-mhd. inbrunst ‘innerlijke gloed’. Zie voor het 2de lid: bronst. De nieuwe vorm inborst deed toen weer ontstaan de bet. ‘aard; wat zich in de borst bevindt’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

inborst znw., mnl. in-, imborste v. “hartstocht, karakter” uit *inbronst(e) = laat-mhd. (nhd.) inbrunst v., oorspr. = “innerlijke gloed”. Vgl. bronst. Vervormd onder invloed van borst I.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

inborst. Naar inborst, met het 2e deel opgevat als borst I, is gevormd drents inboezem ‘inborst, karakter, geaardheid’: W.de Vries Woordv. 38.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

inborst v., Mnl. inborste + Hgd. inbrunst = inwendige gloed: van in en bronst.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

inbors s.nw.
1. Geheel van geestelike eienskappe wat 'n persoonlikheid uitmaak. 2. Goeie inbors (inbors 1).
Uit Ndl. inborst (Mnl. inborst(e), imborst(e)).
Ndl. inborst uit Middelhoogduits en Nieuhoogduits Inbrunst, met Brunst in die bet. 'paardrif'. Anders as in Afr. het Ndl. inborst nog die bet. 'drif, hartstog' wat by die oorspr. bet. aansluit. Mnl. inborste, imborste is later geïnterpreteer as 'n samestelling van in en borst (as liggaamsdeel gesien) en het die bet. 'gemoedsaard, karakter' verkry wat Afr. ook oorgeneem het.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

inborst ‘aard’ -> Duits † Inbost ‘aard’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

inborst* aard 1376-1400 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal